Afschrift (officieel afschrift van een besluit).
Origineel
Afschrift (officieel afschrift van een besluit). [Linksboven, paars stempel:] NO 39/65/129
[Midden boven, paars stempel:] 1342 20/10
[Midden:]
Afschrift
No. 223 L. M. 194 2
[Rechtsboven, handgeschreven:]
Nw
Amus... [onleesbaar]
[Embleem: Wapen van Amsterdam met twee leeuwen en drie kruizen]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan Barend Matteman, geboren 24 Januari 1915, wonende Oosterschekade 6 III, bij beschikking dd. 15 Januari 1940, no. 764 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats ten verkoop van haring en zuurwaren, op den openbaren weg, den vleugel van de brug over de Prinsengracht vóór de Utrechtschestraat, tegenover den zijgevel van perceel Utrechtschestraat 119, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
GM
Amsterdam, 12 MEI 1942 [paars stempel] 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voute [paars stempel]
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN [paars stempel]
[Linksonder:] K 350 Dit document is een formeel besluit van de burgemeester van Amsterdam om een handelsvergunning in te trekken. De vergunning was oorspronkelijk verleend aan Barend Matteman in januari 1940 voor een haring- en zuurkraam op een prominente plek in het centrum van Amsterdam (bij de Utrechtsestraat).
Opvallend is dat het besluit is genomen op 12 mei 1942, maar met terugwerkende kracht is ingegaan op 13 januari 1942. Het document is ondertekend (in afschrift) door Edward Voute, de door de Duitse bezetter aangestelde burgemeester, en de gemeentesecretaris Franken. De nauwkeurige omschrijving van de locatie ("den vleugel van de brug over de Prinsengracht") is typerend voor de Amsterdamse administratie van standplaatsen. Het document dateert uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode werden systematisch maatregelen genomen om Joodse burgers uit het economische en openbare leven te verwijderen. Barend Matteman was een Joodse Amsterdammer.
Vanaf begin 1942 werd het voor Joodse handelaren en marktkooplieden steeds moeilijker, en uiteindelijk onmogelijk, om hun beroep uit te oefenen door het intrekken van vergunningen en het verbod op straathandel voor Joden. Het feit dat de intrekking met terugwerkende kracht per januari 1942 plaatsvond, past in het patroon van de juridische uitsluiting die in die maanden intensiveerde. Edward Voute, hoewel geen lid van de NSB, voerde de Duitse verordeningen nauwgezet uit, wat ook blijkt uit dit type administratieve documenten waarbij burgers hun middelen van bestaan werden ontnomen.