Getypte brief (pagina 2)
Origineel
Getypte brief (pagina 2) 5 oktober 1942 Directeur van het Marktwezen en de Gemeentelijke Adviseur voor Voedings- en Distributie-aangelegenheden Wethouder voor de Levensmiddelen Bladzijde 2 van brief No. 46A/4/74 M.d.d. 5 October 1942 van den Heer
Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen
en den Gemeentelijken Adviseur voor Voedings-en Distributie-aange-
legenheden.
reden van Uw besluit liggen om tot sluiting van een zaak te komen.
Ware deze consequentie te trekken, dan zou over de geheele linie van
den vischhandel onderzocht moeten worden, wie uit handel, anders dan
uit den vischhandel, nog inkomsten heeft. Vaststaat bijvoorbeeld, dat
groote vischzaken ook nog andere groote zaken drijven. Dit slechts
te stellen, wijst reeds uit, dat hier niet den weg ingeslagen kan
worden van het trekken van zoogenaamde consequenties.
Mitsdien verzoeken wij U beleefd goed te vinden, dat aan bo-
vengenoemde firma en in gevallen van gelijksoortigen aard toewijzing
kan worden gegeven.
De Directeur,
De Gemeentelijke Adviseur
voor Voedings-en Distri-
butie-aangelegenheden, Deze pagina vormt het slot van een ambtelijk schrijven betreffende de regulering van de vishandel tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van het betoog is een verweer tegen de sluiting van een specifieke (niet nader genoemde) firma. De opstellers argumenteren dat als men de logica volgt dat neveninkomsten een reden voor sluiting zijn, dit consequent toegepast zou moeten worden op de gehele sector. Omdat veel grote visbedrijven diverse belangen hebben, zou dit tot onwerkbare situaties leiden. Het document adviseert daarom om de betreffende firma (en gelijkaardige gevallen) juist een 'toewijzing' (waarschijnlijk van goederen of vergunningen) te verlenen in plaats van tot sluiting over te gaan. Het document dateert uit oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de economie strak gereguleerd via een distributiesysteem en vonden er veel gedwongen bedrijfssluitingen plaats. Dit kon gebeuren in het kader van de 'Entjudung' (het onteigenen van Joodse bedrijven) of de 'sanering' van het bedrijfsleven om arbeidskrachten vrij te maken voor de Duitse oorlogsindustrie. De termen 'Wethouder voor de Levensmiddelen' en 'Distributie-aangelegenheden' duiden op de complexe bureaucratie die nodig was om de schaarste in oorlogstijd te beheersen. De brief toont de interne discussie tussen verschillende gemeentelijke instanties over de uitvoering van dit beleid.