Ambtelijke notitie/memorandum.
Origineel
Ambtelijke notitie/memorandum. Gedateerd in de tekst op 1 december 1941. Vermoedelijk een marktmeester of beheerder van de vismarkt, gericht aan of afkomstig uit de kring rond de Procureur-Generaal. Wij ontvingen opdracht van politie om op de vischmarkt
bordjes te hangen : verboden voor Joden - dit op grond
van een schrijven van den Proc Gen om deze bordjes aan te
brengen in alle "openbare gelegenheden" ook markten.
Maar onzer meening ressorteert de vischmarkt niet onder
de z.g. openbare gelegenheden, aangezien hij alleen toegang
verleent aan kooplieden met een toegangsbewijs. -
Zoodat wij de Joden makkelijk de toegang weigeren door
mede wij eerst die toegangsbewijzen intrekken.
Nog deele wij U mede dat wij een [doorgestreept: brief] plan ter
adviseering van deze markt gezonden hebben aan den
Beambte Mr. Fockema op 1 Dec 41 doch
daarop [doorgestreept: ook van zijn kant] nog geen antwoord ontvingen
zoodat onzerzijds geen maatregelen zijn genomen
deze markt te zuiveren.
Intusschen sprak wij met Mr. Mees of dat wij
nog nader berichten afwachten inzake al of niet
ophangen deze bordjes.
Proc. Gen. Feitsma
Mr Mees - attentie
[Rechtsonder:] | Gelezen | Dit document biedt een onthullende inkijk in de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging tijdens de bezetting in Nederland. De kern van het schrijven is een discussie over de wijze waarop Joden van de vismarkt geweerd moeten worden.
De politie heeft opdracht gegeven om bordjes met "Verboden voor Joden" op te hangen, conform een algemene richtlijn voor openbare gelegenheden. De schrijver voert echter een juridisch-technisch argument aan: de vismarkt is geen 'openbare gelegenheid' omdat er een toegangsbewijs nodig is. In plaats van bordjes op te hangen, stelt de schrijver voor om simpelweg de toegangsbewijzen van Joodse kooplieden in te trekken. Dit wordt gezien als een efficiëntere methode om de markt te "zuiveren".
Het taalgebruik is klinisch en zakelijk. Het woord "zuiveren" onderstreept hoe de uitsluiting van een bevolkingsgroep door ambtenaren werd gereduceerd tot een administratieve en organisatorische taak. De brief is gedateerd op 1 december 1941. In dit jaar nam de intensiteit van anti-Joodse verordeningen in Nederland snel toe. De genoemde Procureur-Generaal Feitsma (J.J. Feitsma) was een bekende collaborateur die in 1941 door de bezetter in Amsterdam was aangesteld. Hij speelde een actieve rol in het handhaven van de Duitse verordeningen.
De discussie over of een markt "openbaar" is of niet, was in die tijd een veelvoorkomend bureaucratisch debat. Het illustreert hoe de Nederlandse bureaucreatie niet zozeer de moraliteit van de maatregelen ter discussie stelde, maar zich concentreerde op de correcte juridische uitvoering ervan, wat in de praktijk de uitsluiting van Joden vaak alleen maar effectiever maakte.