Archief 745
Inventaris 745-380
Pagina 280
Dossier 44
Jaar 1942
Stadsarchief

Doorslag van een getypte brief (ambtelijke correspondentie).

4 juli 1942. Van: De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, zoals de Dienst der Marktwezen of Voedselvoorziening). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam.

Origineel

Doorslag van een getypte brief (ambtelijke correspondentie). 4 juli 1942. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, zoals de Dienst der Marktwezen of Voedselvoorziening). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. [Linksboven:]
S/HG.
[Handgeschreven in blauw:] extra

46A/5/10 M.
1

[Rechtsboven:]
[Handgeschreven in blauw:] Inc. Mr. de Raer

4 Juli 1942.

[Rechtsmidden:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

[Linkermarge:]
Klacht "Front van Nering en
Ambacht" inzake handel in
visch door Joden.

[Body:]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 1 Juli jl. onder No.599 L.M. om advies ontvangen stuk, heb ik de eer U het navolgende te berichten.

Voor zoover Joodsche handelaren in het bezit van zoetwatervisch (waaronder aal en paling) of garnalen komen, moeten zij deze langs illegalen weg verkregen hebben, omdat deze artikelen voor Amsterdam alleen via den Gemeentelijken afslag worden verdeeld, waar de toegang voor joden verboden is. Hiertegen kan dus direct door de Politie en het overig opsporingspersoneel worden opgetreden.

De zeevisch wordt (zoolang hiervoor geen maximumprijzen zijn vastgesteld en deze dus niet in de verdeeling valt) grootendeels buiten de Vischmarkt om verhandeld. Daar wel een verbod bestaat om joden tot de vischafslagen (onder andere IJmuiden) toe te laten, maar geen verbod om aan Joodsche handelaren te verkoopen, kunnen deze door de arische grossiers, die op bedoelde afslagen koopen, worden voorzien.

Om de joden van den handel in zeevisch uit te sluiten zou de levering aan joden moeten worden verboden, hetgeen dan voor het geheele land zou gelden, tenzij de Beauftragte voor de Stad Amsterdam de maatregel zou kunnen treffen, dat den joden te Amsterdam de handel in visch algeheel verboden wordt. In dit geval kan door politie en andere instanties, onder meer op de plaatsen waar zeevisch wordt aangevoerd, zooals het Centraal Station, worden opgetreden.

De Directeur,

--- In deze brief adviseert een Amsterdamse directeur de NSB-wethouder voor Levensmiddelen (Ed. Pelser) over een klacht van het 'Front van Nering en Ambacht'. Dit was een aan de NSB gelieerde organisatie die opkwam voor de belangen van kleine zelfstandigen en actief streefde naar het verwijderen van Joden uit het economische leven.

De kern van het advies is technisch-juridisch van aard:
1. Zoetwatervis: De directeur stelt dat Joden deze vis onmogelijk legaal kunnen bezitten, omdat zij al verbannen zijn van de gemeentelijke afslag. Bezit is dus per definitie een strafbaar feit waar de politie op kan handhaven.
2. Zeevis: Hier ligt het lastiger, omdat er nog mazen in de wet zijn. Hoewel Joden niet zelf op de afslagen mogen kopen, verbiedt de wet 'Arische' groothandelaren niet om aan Joden door te verkopen.
3. Oplossing: De directeur suggereert een specifiek verbod voor Amsterdam via de 'Beauftragte' (de Duitse toezichthouder Hans Böhmcker), zodat de politie ook bij aankomstpunten zoals het Centraal Station kan controleren en inbeslagname kan uitvoeren.

De toon is zakelijk en ambtelijk, wat illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie destijds zonder moreel voorbehoud meewerkte aan de uitvoering en aanscherping van de anti-Joodse maatregelen.

--- De datum van de brief, 4 juli 1942, is een cruciaal moment in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. Slechts enkele dagen na deze brief, op 15 juli 1942, vertrok de eerste trein vanuit Westerbork naar Auschwitz. De documentatie van dit soort economische uitsluiting laat zien hoe de bezetter en collaborateurs de Joodse gemeenschap eerst stelselmatig van hun middelen van bestaan beroofden voordat de grootschalige deportaties begonnen.

De genoemde 'Beauftragte' voor Amsterdam was Hans Böhmcker, de vertegenwoordiger van Rijkscommissaris Seyss-Inquart, die toezag op het Amsterdamse stadsbestuur. Het document toont de nauwe samenwerking tussen collaborerende instanties zoals het 'Front van Nering en Ambacht' en de ambtelijke top van de stad om de "ontjoding" van de handel te voltooien.

Samenvatting

In deze brief adviseert een Amsterdamse directeur de NSB-wethouder voor Levensmiddelen (Ed. Pelser) over een klacht van het 'Front van Nering en Ambacht'. Dit was een aan de NSB gelieerde organisatie die opkwam voor de belangen van kleine zelfstandigen en actief streefde naar het verwijderen van Joden uit het economische leven.

De kern van het advies is technisch-juridisch van aard:
1. Zoetwatervis: De directeur stelt dat Joden deze vis onmogelijk legaal kunnen bezitten, omdat zij al verbannen zijn van de gemeentelijke afslag. Bezit is dus per definitie een strafbaar feit waar de politie op kan handhaven.
2. Zeevis: Hier ligt het lastiger, omdat er nog mazen in de wet zijn. Hoewel Joden niet zelf op de afslagen mogen kopen, verbiedt de wet 'Arische' groothandelaren niet om aan Joden door te verkopen.
3. Oplossing: De directeur suggereert een specifiek verbod voor Amsterdam via de 'Beauftragte' (de Duitse toezichthouder Hans Böhmcker), zodat de politie ook bij aankomstpunten zoals het Centraal Station kan controleren en inbeslagname kan uitvoeren.

De toon is zakelijk en ambtelijk, wat illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie destijds zonder moreel voorbehoud meewerkte aan de uitvoering en aanscherping van de anti-Joodse maatregelen.


Historische Context

De datum van de brief, 4 juli 1942, is een cruciaal moment in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. Slechts enkele dagen na deze brief, op 15 juli 1942, vertrok de eerste trein vanuit Westerbork naar Auschwitz. De documentatie van dit soort economische uitsluiting laat zien hoe de bezetter en collaborateurs de Joodse gemeenschap eerst stelselmatig van hun middelen van bestaan beroofden voordat de grootschalige deportaties begonnen.

De genoemde 'Beauftragte' voor Amsterdam was Hans Böhmcker, de vertegenwoordiger van Rijkscommissaris Seyss-Inquart, die toezag op het Amsterdamse stadsbestuur. Het document toont de nauwe samenwerking tussen collaborerende instanties zoals het 'Front van Nering en Ambacht' en de ambtelijke top van de stad om de "ontjoding" van de handel te voltooien.

Kooplieden in dit dossier 100

A. Brandt Waterlooplein kooper (winkelier)
A. Brandt Waterlooplein kooper (winkelier)
A.Th.Waalberg, Kinkerstr. 60/62 Waterlooplein kooper winkelier
A.Th.Waalberg, Kinkerstr.60/62 Waterlooplein kooper winkelier
B. Soort Waterlooplein ongeknipt
B. Soort Waterlooplein ƒ 0,11 p.kg
B extra Waterlooplein ƒ 0,15 p.kg
Weduwe Roemer Waterlooplein kooper (winkelier)
Weduwe Roemer Waterlooplein kooper (winkelier)
Brasem (blei), meun, sneep en winde boven ½ kg Barbeel en kroeskarper Waterlooplein 0,41
dhr. Dinkgreve (voorzitter) Waterlooplein 0,30
C.Mooijer & Zonen
E.J.F. Weise Waterlooplein kooper winkelier
E.J.F. Weise Waterlooplein kooper winkelier
E. Schalm Waterlooplein kooper winkelier
E. Schalm Waterlooplein kooper winkelier
Gebr.Böhne
Gebr.Smit
Gestripte kabeljauw Waterlooplein 0,65
M. Sicma Waterlooplein 0,75
M. Sicma Waterlooplein 0,40
M. Sicma Waterlooplein 0,55
Gestripte wijting Waterlooplein 0,65
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6