Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen. 4 juli 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een gerelateerde Amsterdamse gemeentelijke instantie). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). [Handgeschreven rechtsboven:] ten. M. de Heer
[Handgeschreven stempel/notitie midden:] Verzonden 4/7-42
S/HG.
46A/5/10 M.
1
4 Juli 1942.
Klacht "Front van Nering en Ambacht" inzake handel in visch door Joden.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 1 Juli jl. onder No. 599 L.M. om advies ontvangen stuk, heb ik de eer U het navolgende te berichten.
Voor zoover Joodsche handelaren in het bezit van zoetwatervisch (waaronder aal en paling) of garnalen komen, moeten zij deze langs illegalen weg verkregen hebben, omdat deze artikelen voor Amsterdam alleen via den Gemeentelijken afslag worden verdeeld, waar de toegang voor joden verboden is. Hiertegen kan dus direct door de Politie en het overig opsporingspersoneel worden opgetreden.
De zeevisch wordt (zoolang hiervoor geen maximumprijzen zijn vastgesteld en deze dus niet in de verdeeling valt) grootendeels buiten de Vischmarkt om verhandeld. Daar wel een verbod bestaat om joden tot de vischafslagen (onder andere IJmuiden) toe te laten, maar geen verbod om aan Joodsche handelaren te verkoopen, kunnen deze door de arische grossiers, die op bedoelde afslagen koopen, worden voorzien.
Om de joden van den handel in zeevisch uit te sluiten zou de levering aan joden moeten worden verboden, hetgeen dan voor het geheele land zou gelden, tenzij de Beauftragte voor de Stad Amsterdam de maatregel zou kunnen treffen, dat den joden te Amsterdam de handel in visch algeheel verboden wordt. In dit geval kan door politie en andere instanties, onder meer op de plaatsen waar zeevisch wordt aangevoerd, zooals het Centraal Station, worden opgetreden.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk advies over de verdere economische uitsluiting van Joodse burgers tijdens de Duitse bezetting. De kernpunten zijn:
- Handhaving op Zoetwatervis: De directeur stelt vast dat Joden al geen toegang meer hebben tot de Gemeentelijke Afslag. Als zij toch zoetwatervis (zoals paling) bezitten, is dit per definitie "illegaal" en kan de politie direct ingrijpen.
- Liaison met 'Arische' tussenhandel: Er wordt geconstateerd dat Joodse handelaren nog wel aan zeevis kunnen komen. Hoewel zij niet zelf op de afslagen (zoals IJmuiden) mogen kopen, worden zij nog bevoorraad door "arische grossiers".
- Verzoek om verscherping: De brief adviseert om deze "maas in de wet" te dichten. Er wordt expliciet gesuggereerd om de Beauftragte (de Duitse toezichthouder) in te schakelen om een specifiek verbod voor Amsterdam uit te vaardigen.
- Rol van de Politie: Het document toont aan hoe de gemeentelijke bureaucratie de politie wilde inzetten om de economische "Entjudung" (ontjoodsing) van de vishandel af te dwingen door controles op strategische plekken zoals het Centraal Station. Dit document stamt uit juli 1942, een cruciale en duistere fase in de bezettingsgeschiedenis. Dit is exact de periode waarin de grootschalige deportaties van Joden uit Nederland naar de vernietigingskampen begonnen.
Het Front van Nering en Ambacht, dat de klacht indiende, was een aan de NSB gelieerde organisatie die streefde naar het verwijderen van Joden uit het economische leven ten gunste van "Arische" ondernemers. De brief illustreert de verregaande bereidwilligheid van het Nederlandse ambtelijke apparaat om mee te werken aan antisemitische uitsluiting. In plaats van de Joodse medeburgers te beschermen tegen discriminatie, zocht de directeur actief naar juridische en politionele middelen om hun laatste bronnen van inkomsten en voedselvoorziening af te snijden. De genoemde Beauftragte voor Amsterdam was Hans Böhmcker, die direct onder Seyss-Inquart viel en verantwoordelijk was voor de uitvoering van anti-Joodse maatregelen in de stad.