Handgeschreven brief (zakelijke correspondentie).
Origineel
Handgeschreven brief (zakelijke correspondentie). 19 december 1941. J.A. Westhoff. [Linksboven, onderstreept:] Inschrijven
[Doorgehaald woord/krabbel]
[Rechtsboven:] voorts tot G.
[Rechtsboven:] 19 December 1941.
Den Wel. Edele Heer Terhaar:
Mijnheer,
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 17 December deel ik u mede, dat u mijn verzoek tot verhooging aangaande de toewijziging zoutwatervis niet goed begrepen zult hebben, alsnog hoop ik op uw welwillende medewerking in deze, dat u mijn tegemoet kunt komen, daar ik beslist recht er op heb, dat weet een iedere koper hier op den Markt dat ik in 1939 en 1940 wel zooveel zoutwatervis heb gekocht dat ook ik wel recht heb op den volle honderd procent.
Hoogachtend:
[Handtekening:] J.A. Westhoff
[Linksonder, stempel/markering:] № 46A/7/2 M. 1942 De brief is geschreven in een formeel-zakelijke toon die kenmerkend is voor de vroege 20e eeuw ("Den Wel. Edele Heer", "hoogachtend"). De schrijver, J.A. Westhoff, uit zijn ongenoegen over een eerdere beslissing (brief van 17 december) met betrekking tot de toewijzing van zoutwatervis. Hij stelt dat zijn verzoek om verhoging van het quotum niet goed is begrepen.
Westhoff onderbouwt zijn claim door te verwijzen naar zijn historische inkoopcijfers uit 1939 en 1940 (de jaren vlak voor en aan het begin van de bezetting). Hij beroept zich op zijn reputatie en bekendheid op "den Markt" om zijn recht op "de volle honderd procent" (waarschijnlijk van een referentie-aantal of eerdere toewijzing) op te eisen. Het handschrift is een duidelijk, geoefend schuinschrift. Dit document is gedateerd op december 1941, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was er sprake van een strikt distributiesysteem en schaarste. De visserij op de Noordzee was door de bezetter sterk aan banden gelegd (vanwege het gevaar van oversteken naar Engeland en mijnenvelden), waardoor zoutwatervis schaars was.
De toewijzing van vis aan handelaren werd gereguleerd door overheidsinstanties (zoals het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening). Handelaren moesten op basis van hun historische omzet uit de jaren voor de oorlog bewijzen op hoeveel voorraad zij recht hadden. De brief is een typisch voorbeeld van een individuele ondernemer die strijdt voor zijn bestaansrecht binnen de verstikkende bureaucratie van de bezettingstijd. De archiefaantekening uit 1942 suggereert dat de afhandeling van dit verzoek in het opvolgende jaar werd voortgezet.
Samenvatting
De brief is geschreven in een formeel-zakelijke toon die kenmerkend is voor de vroege 20e eeuw ("Den Wel. Edele Heer", "hoogachtend"). De schrijver, J.A. Westhoff, uit zijn ongenoegen over een eerdere beslissing (brief van 17 december) met betrekking tot de toewijzing van zoutwatervis. Hij stelt dat zijn verzoek om verhoging van het quotum niet goed is begrepen.
Westhoff onderbouwt zijn claim door te verwijzen naar zijn historische inkoopcijfers uit 1939 en 1940 (de jaren vlak voor en aan het begin van de bezetting). Hij beroept zich op zijn reputatie en bekendheid op "den Markt" om zijn recht op "de volle honderd procent" (waarschijnlijk van een referentie-aantal of eerdere toewijzing) op te eisen. Het handschrift is een duidelijk, geoefend schuinschrift.
Historische Context
Dit document is gedateerd op december 1941, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was er sprake van een strikt distributiesysteem en schaarste. De visserij op de Noordzee was door de bezetter sterk aan banden gelegd (vanwege het gevaar van oversteken naar Engeland en mijnenvelden), waardoor zoutwatervis schaars was.
De toewijzing van vis aan handelaren werd gereguleerd door overheidsinstanties (zoals het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening). Handelaren moesten op basis van hun historische omzet uit de jaren voor de oorlog bewijzen op hoeveel voorraad zij recht hadden. De brief is een typisch voorbeeld van een individuele ondernemer die strijdt voor zijn bestaansrecht binnen de verstikkende bureaucratie van de bezettingstijd. De archiefaantekening uit 1942 suggereert dat de afhandeling van dit verzoek in het opvolgende jaar werd voortgezet.