Handgeschreven brief (administratieve correspondentie).
Origineel
Handgeschreven brief (administratieve correspondentie). 6 januari 1942. Naam niet vermeld op deze zijde (verwijst naar eerdere correspondentie van 9 december). [Linksboven, potlood:] Inkr[ijven] / afwijzen
[Rechtsboven, stempels/pen:] 13/1/42/88 / 46A/8/167
A’dam 6 – 1 – 42
Aan den Commissie
Van Visserij Centrale.
Naar aanleiding van mijn
schrijven van 9 December
deel ik uw mede, dat ik
niet in aanmerking kom
voor mijn dubbele toewijzing
aangezien dat het op een
abuijs berust. Want ik heb
zelf gezorgd dat Kees
Ladan zijn toewijzing
in de Lemmer door mijn
gekregen hebt, maar hij
mocht mijn niet leveren,
om dat ik geen winkel had.
Wel edele Heeren, u kan
in de Gemeente visch
afslag de boeken laten
controleeren dat ik op
mijn naam altijd zoet
water visch gekocht hebt
zelf bij de Grossier
S. Pais. ik hoop dat ik
[Onderaan, paarse stempel:] Nº 46A/8/15 M. 1942 De schrijver van de brief reageert op een eerdere correspondentie betreffende een "dubbele toewijzing" van vis. De kern van het betoog is dat er sprake is van een misverstand (abuijs). De schrijver legt uit dat hij weliswaar betrokken was bij de toewijzing voor een zekere Kees Ladan in Lemmer, maar dat de levering aan hemzelf problematisch was omdat hij niet over een fysieke winkel beschikte.
Om zijn recht op toewijzingen te bewijzen, voert de schrijver aan dat hij structureel geregistreerd staat bij de gemeentelijke visafslag als koper van zoetwatervis en dat hij zaken doet met de grossier S. Pais. De taal is typisch voor de periode: een mix van formele aanspreektitels ("Wel edele Heeren") en spreektalige grammatica ("door mijn gekregen hebt", "u kan"). De potloodaantekening "afwijzen" linksboven suggereert dat het verzoek door de instantie negatief is beoordeeld. Dit document stamt uit januari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De distributie van voedsel, waaronder vis, was in deze periode strikt gereguleerd door overheidsinstanties zoals de Visserij Centrale (onderdeel van de Rijksbureaus voor de Voedselvoorziening).
Systeembeheer en rantsoenering waren essentieel om de voedselvoorraad te controleren. Handelaren moesten aantonen dat zij rechtmatig in de keten opereerden. De vermelding van de grossier "S. Pais" is historisch interessant; de familie Pais was een bekende Joodse familie in de Amsterdamse vishandel. Gezien de datum (1942) bevonden Joodse handelaren zich in deze periode in een uiterst precaire positie door de toenemende anti-Joodse maatregelen van de bezetter, wat mogelijk ook de administratieve afhandeling van dit dossier beïnvloedde. S. Pais
Samenvatting
De schrijver van de brief reageert op een eerdere correspondentie betreffende een "dubbele toewijzing" van vis. De kern van het betoog is dat er sprake is van een misverstand (abuijs). De schrijver legt uit dat hij weliswaar betrokken was bij de toewijzing voor een zekere Kees Ladan in Lemmer, maar dat de levering aan hemzelf problematisch was omdat hij niet over een fysieke winkel beschikte.
Om zijn recht op toewijzingen te bewijzen, voert de schrijver aan dat hij structureel geregistreerd staat bij de gemeentelijke visafslag als koper van zoetwatervis en dat hij zaken doet met de grossier S. Pais. De taal is typisch voor de periode: een mix van formele aanspreektitels ("Wel edele Heeren") en spreektalige grammatica ("door mijn gekregen hebt", "u kan"). De potloodaantekening "afwijzen" linksboven suggereert dat het verzoek door de instantie negatief is beoordeeld.
Historische Context
Dit document stamt uit januari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De distributie van voedsel, waaronder vis, was in deze periode strikt gereguleerd door overheidsinstanties zoals de Visserij Centrale (onderdeel van de Rijksbureaus voor de Voedselvoorziening).
Systeembeheer en rantsoenering waren essentieel om de voedselvoorraad te controleren. Handelaren moesten aantonen dat zij rechtmatig in de keten opereerden. De vermelding van de grossier "S. Pais" is historisch interessant; de familie Pais was een bekende Joodse familie in de Amsterdamse vishandel. Gezien de datum (1942) bevonden Joodse handelaren zich in deze periode in een uiterst precaire positie door de toenemende anti-Joodse maatregelen van de bezetter, wat mogelijk ook de administratieve afhandeling van dit dossier beïnvloedde.