Doorslag van een officiële brief (zakelijke correspondentie).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (zakelijke correspondentie). De Directeur (van de Visscherijcentrale). Den Heer J. Wijnschenk. [Rechtsboven, getypt:] HG.
[Midden boven, handgeschreven in blauw potlood:] verzonden 14/1
[Adresseringsblok:]
den Heer J.Wijnschenk,
Vrolijkstraat 50 III,
Amsterdam-Oost.
Wijk 20.
[Linkerzijde:] 46A/8/18 M.
[Rechterzijde:] 13 Januari 1942.
[Inhoud:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 6 dezer deel ik U mede, dat na behandeling van Uw verzoek in de door de Visscherijcentrale ingestelde Commissie is gebleken, dat er geen aanleiding bestaat aan Uw verzoek te voldoen.
[Onderaan rechts:]
De Directeur, * Vorm en Stijl: Het document is een formeel, bureaucratisch schrijven. De toon is afstandelijk en beslist. De afkorting "d.d. 6 dezer" (de dato 6 dezer) betekent "gedateerd de 6e van deze maand" (6 januari 1942).
* Inhoud: De brief betreft een afwijzing. Een specifieke commissie binnen de 'Visscherijcentrale' heeft een verzoek van de heer Wijnschenk beoordeeld en besloten hier niet op in te gaan. De aard van het verzoek wordt in deze brief niet nader gespecificeerd, wat gebruikelijk is bij interne doorslagen of korte mededelingen.
* Administratieve kenmerken: De handgeschreven notitie "verzonden 14/1" is een verzendtekening, aangebracht door een administratief medewerker om te bevestigen dat de brief de dag na opmaak daadwerkelijk is gepost. De aanduiding "Wijk 20" verwijst naar de toenmalige wijkindeling van Amsterdam. * Historische periode: De brief is gedateerd in januari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland.
* De geadresseerde: Joseph Wijnschenk (geboren 1898) was een Joodse Amsterdammer. De Vrolijkstraat lag in een wijk met een grote Joodse populatie. Uit archiefstukken (zoals die van het Joods Monument) blijkt dat de heer Wijnschenk later in 1942 is gedeporteerd en vermoord in Auschwitz.
* De organisatie: De Visscherijcentrale was een door de overheid gecontroleerd orgaan dat tijdens de bezetting de distributie en handel in vis reguleerde. In deze periode trachtten veel Joodse burgers via officiële weg verzoeken in te dienen voor bijvoorbeeld werkvergunningen, vrijstellingen of andere regelingen om hun positie te beschermen tegen de steeds strenger wordende anti-Joodse maatregelen. De afwijzende toon van dit document is typerend voor de bureaucratische onverschilligheid of onwil van instanties in die tijd ten opzichte van dergelijke verzoeken. J. Wijnschenk
Samenvatting
- Vorm en Stijl: Het document is een formeel, bureaucratisch schrijven. De toon is afstandelijk en beslist. De afkorting "d.d. 6 dezer" (de dato 6 dezer) betekent "gedateerd de 6e van deze maand" (6 januari 1942).
- Inhoud: De brief betreft een afwijzing. Een specifieke commissie binnen de 'Visscherijcentrale' heeft een verzoek van de heer Wijnschenk beoordeeld en besloten hier niet op in te gaan. De aard van het verzoek wordt in deze brief niet nader gespecificeerd, wat gebruikelijk is bij interne doorslagen of korte mededelingen.
- Administratieve kenmerken: De handgeschreven notitie "verzonden 14/1" is een verzendtekening, aangebracht door een administratief medewerker om te bevestigen dat de brief de dag na opmaak daadwerkelijk is gepost. De aanduiding "Wijk 20" verwijst naar de toenmalige wijkindeling van Amsterdam.
Historische Context
- Historische periode: De brief is gedateerd in januari 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland.
- De geadresseerde: Joseph Wijnschenk (geboren 1898) was een Joodse Amsterdammer. De Vrolijkstraat lag in een wijk met een grote Joodse populatie. Uit archiefstukken (zoals die van het Joods Monument) blijkt dat de heer Wijnschenk later in 1942 is gedeporteerd en vermoord in Auschwitz.
- De organisatie: De Visscherijcentrale was een door de overheid gecontroleerd orgaan dat tijdens de bezetting de distributie en handel in vis reguleerde. In deze periode trachtten veel Joodse burgers via officiële weg verzoeken in te dienen voor bijvoorbeeld werkvergunningen, vrijstellingen of andere regelingen om hun positie te beschermen tegen de steeds strenger wordende anti-Joodse maatregelen. De afwijzende toon van dit document is typerend voor de bureaucratische onverschilligheid of onwil van instanties in die tijd ten opzichte van dergelijke verzoeken.