Handgeschreven ambtelijke notitie/memorandum.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie/memorandum. [Linksboven:]
onderwerp:
uitkeering aan ont-
slagen 50-j. ambt. en
60-j. arb. en aan
ontslagen pers., dat gehuwd
is met een Joodsche (n)
echtgenoot(e)
[Rechtsboven:]
De Heer Dir. der Afd. Arb. Zaken
[Inhoud:]
n.a.v. Uwe circulaire d.d.
10 Dec. 1943 no. 1881 Arb. 1943, bericht
ik U, dat door mijn dienst ^in het jaar 1943^ geen uitkee-
ringen zijn gedaan als in die circu-
laire bedoeld.
[handtekening/paraaf]
[Onderaan:]
(typ) [omcirkeld]
PA/OS/2 '43 [in rood potlood] * Onderwerp: De notitie betreft de verantwoording van uitkeringen aan specifiek ontslagen groepen: 50-jarige ambtenaren, 60-jarige arbeiders en personeel dat ontslagen is vanwege een huwelijk met een Joodse partner.
* Inhoudelijke strekking: De afzender rapporteert aan de Directeur van de Afdeling Arbeidszaken dat er over het jaar 1943 geen uitkeringen zijn verstrekt die vallen onder de bepalingen van de genoemde circulaire (no. 1881).
* Terminologie: Het taalgebruik is typisch voor de bezettingstijd, waarbij "Joodsche echtgenoot(e)" als een administratieve categorie wordt behandeld. De afkortingen "ambt." (ambtenaren) en "arb." (arbeiders) duiden op een strikt onderscheid in rechtspositie.
* Administratieve sporen: De rode code "PA/OS/2 '43" en de omcirkelde instructie "(typ)" (mogelijk voor 'typen' of 'getypt') wijzen op een gearchiveerd dossierstuk dat onderdeel uitmaakte van een grotere administratieve stroom. Dit document is een direct overblijfsel van de bureaucratische uitvoering van de anti-Joodse maatregelen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de invoering van de Ariërverklaring in 1940 werden Joden en later ook personen met Joodse echtgenoten stelselmatig uit de overheidskolommen en andere sectoren verwijderd.
De notitie illustreert de zogenaamde 'banaliteit van het kwaad': de uitsluiting en financiële benadeling van burgers werd door de Nederlandse ambtenarij verwerkt als een reguliere administratieve handeling. De genoemde circulaire van 10 december 1943 hield waarschijnlijk verband met de controle op of beperking van wachtgeld of uitkeringen voor deze 'onwenselijk' geachte personeelsleden.
Samenvatting
- Onderwerp: De notitie betreft de verantwoording van uitkeringen aan specifiek ontslagen groepen: 50-jarige ambtenaren, 60-jarige arbeiders en personeel dat ontslagen is vanwege een huwelijk met een Joodse partner.
- Inhoudelijke strekking: De afzender rapporteert aan de Directeur van de Afdeling Arbeidszaken dat er over het jaar 1943 geen uitkeringen zijn verstrekt die vallen onder de bepalingen van de genoemde circulaire (no. 1881).
- Terminologie: Het taalgebruik is typisch voor de bezettingstijd, waarbij "Joodsche echtgenoot(e)" als een administratieve categorie wordt behandeld. De afkortingen "ambt." (ambtenaren) en "arb." (arbeiders) duiden op een strikt onderscheid in rechtspositie.
- Administratieve sporen: De rode code "PA/OS/2 '43" en de omcirkelde instructie "(typ)" (mogelijk voor 'typen' of 'getypt') wijzen op een gearchiveerd dossierstuk dat onderdeel uitmaakte van een grotere administratieve stroom.
Historische Context
Dit document is een direct overblijfsel van de bureaucratische uitvoering van de anti-Joodse maatregelen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de invoering van de Ariërverklaring in 1940 werden Joden en later ook personen met Joodse echtgenoten stelselmatig uit de overheidskolommen en andere sectoren verwijderd.
De notitie illustreert de zogenaamde 'banaliteit van het kwaad': de uitsluiting en financiële benadeling van burgers werd door de Nederlandse ambtenarij verwerkt als een reguliere administratieve handeling. De genoemde circulaire van 10 december 1943 hield waarschijnlijk verband met de controle op of beperking van wachtgeld of uitkeringen voor deze 'onwenselijk' geachte personeelsleden.