Ambtelijk verslag/voorstel betreffende marktgelden.
Origineel
Ambtelijk verslag/voorstel betreffende marktgelden. 14 januari 1943 (afgeleid van het jaartal '43' rechtsboven). -3-
- 14 Januari 43
17/1/1 den Heer Wethouder
~~xx~~ voor de Levensmiddelen.
deel van de maand achterwege kan blijven.
De vraag of de koopliedem in staat zullen zijn in plaats van een weektarief, een maandtarief te kunnen betalen, meenen wij op goede gronden bevestigend te mogen beantwoorden. In de eerste plaats moet worden aangenomen, dat vele kooplieden thans per week betalen, omdat zij hiertoe in de gelegenheid worden gesteld, terwijl het voor hen niet het minste bezwaar oplevert per maand te betalen.
Voort kan het voor velen niet anders dan goed worden genoemd wanneer zij verplicht worden te voldoen aan eischen, welke een goed administratief beheer mag stellen. Thans moeten vele kooplieden de geheele week worden nageloopen om een luttel bedrag, hetgeen toch kwalijk verantwoord kan zijn, indien er rekening mede wordt gehouden, dat dezelfde kooplieden dagelijks veel grootere bedragen voor hun handel hebben te betalen dan het maandtarief bedraagt.
En verder mag in aanmerking worden genomen, dat langzaam maar zeker de marktkoopliedenstand is gegroeid tot een groep, die aan de minimumeisch van maandelijksche betaling best kan en per saldo ook graag zal willen voldoen. Ten slotte kan worden medegedeeld, dat de kooplieden de laatste jaren beter betalen dan voordien, zoodat de tijd gunstig geacht moet worden om tot invoering van dezen maatregel over te gaan.
Bij de recapitulatie doen wij onder ad. I de becijfering van het nieuwe maandtarief toekomen, benevens de tekst van de gewijzigde artikelen 16 en 17 der Verordening op de Heffing.
II. Wijziging van het Reglement op de Markten, als gevolg van de invoering van het kalendermaandtarief op de algemeene dagmarkten.
Zooals hierboven onder I reeds werd aangestipt, moet bij de invoering van het maandtarief worden voorkomen, dat de inning zich over de geheele maand zal uitstrekken en dat in geen geval betaling van het maandtarief in termijnen kan worden toegestaan, aangezien dan geen vermindering van de aan de inning verbonden werkzaamheden zou worden verkregen, doch veeleer een uitbreiding. Naar onze meening moet daarom worden voorgeschreven, dat betaling van het maandtarief vóór een bepaalden datum der maand moet hebben plaatsgevonden. Wij stellen U voor deze den achtsten van elken maand te doen zijn.
Wel schrijft artikel 34 der Verordening op de Heffing voor, dat de marktgelden moeten worden voldaan op den eersten werkdag van de maand, indien de plaats wordt toegekend voor den tijd van één maand, doch in de practijk kan hieraan niet de hand worden gehouden, omdat de kooplieden niet verplicht zijn alle dagen hun plaatsen op de markten te bezetten, doch krachtens artikel 9 van het Reglement slechts 3 dagen per week.
Aan dit bezwaar kan worden tegemoetgekomen, wanneer wordt bepaald, dat betaling van het maandtarief vóór den achtsten van Dit document is een ambtelijk advies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen om het systeem van marktgelden te hervormen. De kern van het voorstel is de overgang van een wekelijks naar een maandelijks tarief voor standplaatshouders op de algemene dagmarkten.
De argumentatie voor deze wijziging is drieledig:
1. Administratieve efficiëntie: Het wekelijks innen van kleine bedragen ("nageloopen om een luttel bedrag") wordt als inefficiënt en "kwalijk verantwoord" beschouwd. Een maandelijkse inning vermindert de werklast voor de ambtenaren.
2. Draagkracht en professionalisering: De opstellers stellen dat de "marktkoopliedenstand" sociaal-economisch is gegroeid en dat de betalingsmoraal de laatste jaren is verbeterd. De handelaren zouden de maandelijkse som gemakkelijk kunnen opbrengen, aangezien hun dagelijkse handelskosten vaak al hoger liggen dan het voorgestelde maandtarief.
3. Praktische uitvoerbaarheid: Er wordt een specifieke deadline voorgesteld (de 8ste van de maand). Dit is een pragmatische oplossing voor de discrepantie tussen de algemene verordening (die betaling op de 1ste werkdag eist) en de praktijk waarbij kooplieden slechts drie dagen per week aanwezig zijn. Het document dateert uit januari 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog. De term "Wethouder voor de Levensmiddelen" duidt op de strakke organisatie van de voedselvoorziening en distributie tijdens de bezettingstijd. Markten speelden een cruciale rol in de legale (en soms illegale) distributie van goederen.
De toon van het document weerspiegelt een streven naar meer overheidscontrole en bureaucratische rationalisatie, kenmerkend voor de oorlogsjaren waarin de bezetter en het meewerkende ambtenarenapparaat de grip op de economie probeerden te verstevigen. Het feit dat kooplieden "de laatste jaren beter betalen" zou kunnen wijzen op de schaarste-economie, waarbij een officiële marktplaats zeer waardevol was en men deze niet wilde riskeren door betalingsachterstanden. De nadruk op het niet toestaan van betaling in termijnen onderstreept de wens naar een rigide en overzichtelijke financiële administratie.