Ambtelijk memorandum of toelichting bij een concept-verordening.
Origineel
Ambtelijk memorandum of toelichting bij een concept-verordening. 16 mei (jaartal niet vermeld, op basis van spelling en functie wethouder waarschijnlijk vroege 20e eeuw, ca. 1914-1920). 17 16 Mei 6
17/4/1 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
dit bedryf voorkomen. Deze bescherming weegt voor de ver-
huurders waarschynlyk op tegen de belasting, zoodat deze
niet zonder meer op de pryzen behoeft te worden gelegd.
Gelet op de belangryke bate, die uit deze heffing
jaarlyks voor de Gemeente is te verwachten, beveel ik de
invoering van het onderhavige artikel ten zeerste aan.
Art.27 der voorgestelde verordening geeft een
nadere omschryving van wat onder kramen, waarvoor het
kramengeld verschuldigd is, mede wordt verstaan. Ter voor-
koming van ontduiking der belasting acht ik dit artikel
gewenscht.
Art.28 der voorgestelde verordening regelt het
ventgeld. De voorgestelde redactie wykt eenigszins af van
die van art.29 der bestaande verordening, waar het gebruik
maken van den openbaren gemeentegrond als grondslag der
heffing wordt genoemd. Hiervoor geldt mutatis mutandis
hetzelfde, als wat ik hierboven, naar aanleiding van den in
art.2 van het concept voorgestelden grondslag, heb opgemerkt.
Een, ook door de Permanente Commissie van Advies als volkomen
juist erkend, principe is, dat de venter het ventgeld moet
doorbetalen, ook wanneer hy tydelyk van de hem verleende
vergunning geen gebruik wenscht te maken (byv. de z.g.
seizoenventer). Sedert de invoering der ventverordening is
dit principe steeds gevolgd: door de thans voorgestelde
redactiewyziging wordt het beter dan tot nu toe het geval
was, in de verordening tot uitdrukking gebracht.
Art.29 der voorgestelde verordening regelt de
heffing van het standplaatsgeld, dat in art.30 der bestaande
verordening staat omschreven. Hierin is niets veranderd;
alleen is de vermelding der vaste ligplaatsen, die thans in
art.30 staat, niet overgenomen. In de huidige verordening
is n.l. het ligplaatsgeld niet geregeld; de vermelding in
art.30 heeft geen beteekenis. * Taalgebruik: Het document is opgesteld in formeel-ambtelijk Nederlands met de destijds gebruikelijke spelling (zoals waarschynlyk, pryzen, belangryke, eenigszins). Het gebruik van Latijnse termen zoals mutatis mutandis onderstreept het juridische/bestuurlijke karakter.
* Inhoudelijke kern: De tekst bespreekt drie specifieke artikelen (27, 28 en 29) van een nieuwe gemeentelijke verordening. De focus ligt op het verduidelijken van definities om belastingontduiking te voorkomen en het stroomlijnen van de heffingen voor marktkooplieden (kramen), straatverkopers (venters) en houders van een vaste standplaats.
* Administratieve Logica: Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de "bestaande verordening" en de "voorgestelde verordening". De schrijver motiveert waarom bepaalde wijzigingen nodig zijn, vaak gebaseerd op de praktijk (zoals bij de seizoenventers) of om administratieve onzuiverheden te corrigeren (zoals het schrappen van de vermelding van ligplaatsen omdat daar geen regeling voor bestond in deze specifieke verordening). Dit document biedt inzicht in het financiële en regulerende beleid van de gemeente Amsterdam in het begin van de 20e eeuw. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een functie die met name tijdens en na de Eerste Wereldoorlog van groot belang was vanwege de schaarste en de noodzaak voor strikte regulering van de handel in voedsel en goederen.
De tekst laat zien dat de gemeente actief zocht naar manieren om de inkomsten uit markt- en straathandel te optimaliseren ("belangryke bate") en de regelgeving juridisch sluitender te maken. De betrokkenheid van de "Permanente Commissie van Advies" duidt op een zorgvuldig besluitvormingsproces waarbij deskundigen werden geraadpleegd over de praktische uitvoerbaarheid van de regels.