Ambtelijk schrijven / Rapportfragment betreffende een concept-verordening.
Origineel
Ambtelijk schrijven / Rapportfragment betreffende een concept-verordening. 16 mei (jaartal waarschijnlijk 1926, gezien de '6' rechtsboven en de context van Amsterdamse marktverordeningen uit die periode). Een onbekende ambtenaar/diensthoofd (verwijst naar "mijn administratie"). 20 16 Mei 6
17/4/1 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
kramengeld eerst aan het einde van de markt met zekerheid
worden bepaald. Daarom stel ik voor, dat het eerst den vol-
genden dag moet worden voldaan. Een soortgelyke betaling
achteraf is, met betrekking tot het kramengeld, ook in de
Rotterdamsche verordening op de invordering van marktgeld
voorgeschreven.
Art. 4 der voorgestelde verordening bevat niet meer
het tweede lid, dat in het bestaande art. 3 de betaling van
het maandelyks verschuldigde ventgeld in vier termynen
mogelyk maakt. Dit voorschrift is nimmer toegepast en ik
acht het op grond van de groote onkosten, die het voor myn
administratie zou veroorzaken, niet gewenscht, dat hiertoe te
eeniger tyd zou worden besloten (vide in dit verband myn
rapport d.d. 30 April jl. no. 50/170/1 M; in het byzonder
vervolgblad 3 en 4). De regeling van weekbetaling worde,
wanneer daaraan behoefte wordt gevoeld (hetgeen in het al-
gemeen niet is gebleken), aan de organisaties der venters
overgelaten.
Art. 5 der voorgestelde verordening regelt de in-
vordering van stand- en ligplaatsgelden. Art. 4 der bestaande
verordening schryft voor, dat in de vergunning de data van
betaling van het standplaatsgeld worden aangeduid. Hieraan
voldoen de vergunningen niet; zy vermelden alleen, dat het
standplaatsgeld by vooruitbetaling moet worden voldaan. Het
thans voorgestelde artikel is voor de practyk het meest
eenvoudig; tevens voorkomt het, dat alle reeds uitgegeven
standplaatsvergunningen alsnog met de verordening in over-
eenstemming worden gebracht.
In de artikelen 6 en 7 der voorgestelde verordening
is rekening gehouden met de by het concept-verordening op de
heffing voorgestelde nieuwe belastingen: kramengeld en lig-
plaatsgeld. Dit document is een ambtelijk advies aan de Amsterdamse Wethouder voor de Levensmiddelen over de technische en praktische invulling van een nieuwe marktverordening. De kernpunten zijn:
- Kramengeld: De auteur stelt voor om de betaling pas de dag na de markt te laten plaatsvinden, omdat het exacte bedrag pas na afloop vastgesteld kan worden. Hierbij wordt verwezen naar een vergelijkbare regeling in Rotterdam.
- Ventgeld (Art. 4): Een bepaling voor betaling in vier termijnen wordt geschrapt. Dit is nooit gebruikt en zou te veel administratieve rompslomp en kosten met zich meebrengen. Eventuele wekelijkse betalingen moeten door de ventersorganisaties zelf geregeld worden.
- Stand- en ligplaatsgelden (Art. 5): De regelgeving wordt aangepast aan de bestaande praktijk. In plaats van specifieke data in de vergunning te vermelden, volstaat de algemene regel van vooruitbetaling. Dit voorkomt dat alle bestaande vergunningen moeten worden aangepast.
- Nieuwe belastingen (Art. 6 & 7): Er wordt gerefereerd aan de introductie van 'nieuwe' belastingen, specifiek kramengeld en ligplaatsgeld.
De toon is zakelijk en gericht op administratieve efficiëntie ("eenvoudig", "voorkomt onkosten"). Het document dateert uit een periode (waarschijnlijk de jaren '20) waarin de gemeente Amsterdam haar marktwezen en de bijbehorende leges en belastingen moderniseerde en professionaliseerde. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een belangrijke post die toezag op de markthallen en straathandel, essentieel voor de voedselvoorziening van de groeiende stad.
De tekst getuigt van een verschuiving naar meer centrale bureaucratische controle, waarbij gestreefd werd naar uniformiteit (vergelijking met Rotterdam) en kostenbeheersing. Het feit dat ventersorganisaties zelf verantwoordelijk worden gehouden voor onderlinge betalingsregelingen, wijst op de toenemende mate van organisatie onder de marktlui in die tijd. De spelling (bijv. "practyk", "maandelyks") is karakteristiek voor de Nederlandse ambtelijke taal van vóór de spellinghervorming van Marchant (1934).