Handgeschreven ambtelijke notitie of kladmemo.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie of kladmemo. W. Pietersma 21/10 1923
Wagenaarstr. 113 bis
ongehuwd.
J. M. Zwaan 8/8 1922
P. Nieuwlandstr. 15 II
ongehuwd.
Voorstel Commissie
geen vrouwen in
verdeeling voor mosselen,
waarvan man ook toe-
wijzing heeft.
Onbillijk t/o alle winkeliers
wier vrouwen ook in zaak be-
hulpzaam zijn, doch geen toe-
wijzing krijgen. Het document is een interne aantekening die twee zaken combineert: de registratie van specifieke personen (mogelijk marktkooplieden of winkeliers) en een beleidskwestie.
In het eerste deel worden de personalia van W. Pietersma en J.M. Zwaan genoteerd, waarbij specifiek hun ongehuwde status wordt vermeld. Dit is relevant voor het tweede deel van de notitie, waarin een "Voorstel Commissie" wordt besproken. Dit voorstel houdt in dat vrouwen geen eigen toewijzing (vergunning of quotum) voor de verdeling van mosselen mogen krijgen als hun echtgenoot deze al heeft. De schrijver van de notitie plaatst hier een kritische kanttekening bij: hij noemt het "onbillijk" (onrechtvaardig) tegenover winkeliers wiens echtgenotes daadwerkelijk meewerken in de zaak, maar door deze regel geen eigen toewijzing kunnen krijgen. De notitie stamt uit de vroege jaren '20 van de 20e eeuw. In deze periode was de distributie van goederen en de regulering van markten vaak onderhevig aan lokale commissies die probeerden wildgroei of oneerlijke concurrentie tegen te gaan. De genoemde adressen (Wagenaarstraat en Pieter Nieuwlandstraat) bevinden zich in de Dapperbuurt in Amsterdam-Oost, een wijk die van oudsher veel kleine middenstanders en een bekende dagmarkt kent.
Het document illustreert de bureaucratische strijd rondom de economische positie van de vrouw in het gezinsbedrijf. Destijds werden echtgenotes vaak niet als zelfstandige ondernemers erkend als de man de hoofdtoewijzing had, wat hier tot protest leidde op basis van de feitelijke werksituatie ("in zaak behulpzaam zijn"). W. Pietersma en J.M. Zwaan.
Samenvatting
Het document is een interne aantekening die twee zaken combineert: de registratie van specifieke personen (mogelijk marktkooplieden of winkeliers) en een beleidskwestie.
In het eerste deel worden de personalia van W. Pietersma en J.M. Zwaan genoteerd, waarbij specifiek hun ongehuwde status wordt vermeld. Dit is relevant voor het tweede deel van de notitie, waarin een "Voorstel Commissie" wordt besproken. Dit voorstel houdt in dat vrouwen geen eigen toewijzing (vergunning of quotum) voor de verdeling van mosselen mogen krijgen als hun echtgenoot deze al heeft. De schrijver van de notitie plaatst hier een kritische kanttekening bij: hij noemt het "onbillijk" (onrechtvaardig) tegenover winkeliers wiens echtgenotes daadwerkelijk meewerken in de zaak, maar door deze regel geen eigen toewijzing kunnen krijgen.
Historische Context
De notitie stamt uit de vroege jaren '20 van de 20e eeuw. In deze periode was de distributie van goederen en de regulering van markten vaak onderhevig aan lokale commissies die probeerden wildgroei of oneerlijke concurrentie tegen te gaan. De genoemde adressen (Wagenaarstraat en Pieter Nieuwlandstraat) bevinden zich in de Dapperbuurt in Amsterdam-Oost, een wijk die van oudsher veel kleine middenstanders en een bekende dagmarkt kent.
Het document illustreert de bureaucratische strijd rondom de economische positie van de vrouw in het gezinsbedrijf. Destijds werden echtgenotes vaak niet als zelfstandige ondernemers erkend als de man de hoofdtoewijzing had, wat hier tot protest leidde op basis van de feitelijke werksituatie ("in zaak behulpzaam zijn").