Doorslag van een getypt ambtelijk rapport/brief (Bladzijde 3).
Origineel
Doorslag van een getypt ambtelijk rapport/brief (Bladzijde 3). 15 maart 1943. Vermoedelijk de directie van het Amsterdamsche Marktwezen of een verwante controledienst. Bladz. 3
15 Maart 43
46A/88/1
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen,
Amsterdam
de toewijzingen van aal te Volendam, tegenover die van aal en zoetwatervisch te Amsterdam ongeveer gelijk was. Hierbij moet evenwel worden opgemerkt, dat wat de Volendammer cijfers betreft, moest worden afgegaan op de opgaven van den cooperatieven afslag. In ander opzicht was de regeling echter zeer teleurstellend en wel in tweeërlei opzicht. In de practijk bleek namelijk, dat de Volendammers hun toewijzingen aal voor 80% lieten rooken en slechts voor 20% in verschen toestand te Amsterdam brachten. Hieromtrent werd U op 29 Juli 1942 dezerzijds gerapporteerd (No. 46A/466/1 M.); vide ook het antwoord van de Nederlandsche Visscherijcentrale ter zake d.d. 15 September 1942 (No. 259 L.M.). Veel verbetering kwam er echter niet in dezen gang van zaken. Als gevolg van dit eigenmachtig optreden der Volendammers, waartegen te Amsterdam bezwaarlijk kon worden opgetreden, werd de contrôle op de aanvoeren der Volendammers op de Vischmarkt alhier en op de algemeene dagmarkten ten zeerste bemoeilijkt, daar de Volendammers de toewijzingen van verschillende dagen opspaarden en deze gedeeltelijk gerookt en gedeeltelijk versch aanvoerden.
Op 22 Februari jl. werd deze aangelegenheid met de vertegenwoordigers van Volendam, leden der Verdeelingscommissie, behandeld en werd dezerzijds, nadat de Volendammers den wensch hadden geuit om ook in het nieuwe aalseizoen de verdeeling te Volendam te handhaven, naar voren gebracht, dat in het nieuwe seizoen stellig niet op dezelfde voorwaarden als verleden jaar kon worden doorgewerkt. De Volendammer vertegenwoordigers konden zich met onze opvatting vereenigen, namelijk, dat van de 4 achtereenvolgende toewijzingen te Volendam er steeds drie in verschen toestand te Amsterdam zouden moeten worden verkocht, terwijl de vierde dan zou mogen worden gerookt. Dit voorstel leek ons billijk, omdat de Volendammers ook voor den oorlog steeds gerookte aal hebben verkocht. Bovendien zou men, wanneer het rooken van aal te Volendam geheel werd verboden, de aldaar gevestigde rookerijen ernstig benadeelen. Verder stemden genoemde vertegenwoordigers erin toe, dat de contrôlemaatregelen op de regeling zoo intensief mogelijk zouden worden doorgevoerd, waartoe ambtenaren van het Marktwezen zich nader met Volendam in verbinding zullen stellen. Tenslotte hebben wij van deze vertegenwoordigers verlangd, dat zij met kracht stelling zullen nemen tegen den, ons bekenden, zwarten handel te Volendam. Genoemde heeren hebben ten deze hun medewerking toegezegd, doch wezen erop, dat in de meeste gevallen het kwaad reeds bij de visschers begint, die de door hen gevangen aal slechts ten deele aan den afslag afleveren. Bovendien zijn in de verdeeling te Volendam in totaal 153 kleinhandelaren opgenomen, waarvan er slechts ongeveer 80 handel drijven te Amsterdam. De overigen zijn in andere steden en randgemeenten van Amsterdam gevestigd en vallen dus buiten de contrôlemaatregelen. Ook met de aan deze menschen toegewezen aal wordt vaak zwarte handel gedreven.
Hierna hebben wij over deze aangelegenheid gehoord de Amsterdamsche handelaren-commissieleden Gootjes en Lammers. Deze spraken als hun oordeel uit, hetgeen naar hun zeggen door alle Amsterdamsche handelaren wordt gedeeld, dat het voor den goeden gang van zaken dringend noodzakelijk is, dat alle voor Amsterdam bestemde visch op één centraal punt i.c. den Amster- * Kernconflict: Het document beschrijft een frictie tussen de Amsterdamse autoriteiten en de handelaren uit Volendam. De Volendammers rookten het overgrote deel (80%) van hun toegewezen paling, terwijl Amsterdam verse aanvoer eiste voor de markt. Gerookte paling was moeilijker te controleren en verdween gemakkelijker in het illegale circuit.
* Compromis: Er is een nieuwe regeling getroffen (de '3-om-1 regel'): van elke vier toewijzingen moeten er drie vers naar de Amsterdamse markt en mag er één gerookt worden. Dit ontziet de lokale economie (de rokerijen) in Volendam maar versterkt de grip van Amsterdam op de voedselvoorraad.
* Zwarte Handel: Het document geeft een inkijkje in de mechanismen van de zwarte handel tijdens de bezetting. Vissers hielden vangst achter voor de afslag, en handelaren buiten de Amsterdamse gemeentegrenzen onttrokken zich aan de controle van het Amsterdamse Marktwezen.
* Centralisatie: De Amsterdamse handelaren (vertegenwoordigd door Gootjes en Lammers) pleiten voor een strikte centralisatie van de visaanvoer op één punt om de controle te vergemakkelijken. Dit document stamt uit het voorjaar van 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Voedselvoorziening was op dat moment een kritieke en streng gereguleerde zaak. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" in Amsterdam (destijds de pro-Duitse Edward J. Voûte of een ondergeschikte functionaris) had de taak om de stad te voeden onder toezicht van de bezetter.
De genoemde "Nederlandsche Visscherijcentrale" was een door de bezetter ingesteld orgaan dat toezicht hield op de gehele sector. De spanning tussen de productiecentra (zoals Volendam) en de distributiecentra (zoals Amsterdam) was groot, waarbij de zwarte handel een onvermijdelijk gevolg was van de schaarste en de prijsbeheersing. De tekst illustreert hoe ambtelijke diensten probeerden met praktische afspraken de grip op de voedselstroom te behouden.