Archief 745
Inventaris 745-288
Pagina 408
Dossier 93
Jaar 1939
Stadsarchief

Archiefdocument

Origineel

-2-

B E S C H R I J V I N G

  1. In den ketel zal geen benzine worden opgeslagen, welker dampen met lucht ont-
    plofbare mengsels kunnen vormen, tenzij het bovenste vlampunt, bepaald vol-
    gens de methode Reinders, bij 760 mm. kwikdruk niet hooger is gelegen dan 5° C.
  2. De ketel zal zijn voorzien van een ventilatieleiding met een middellijn van on-
    geveer 20 mm. Deze ventilatieleiding zal bovengrondsch stevig zijn bevestigd.
    De uitmonding van de leiding zal zich ten minste 2.5 M. boven den beganen
    grond bevinden en op een zoodanige plaats, dat het door haar ontwijkende
    gasmengsel ^zich^ niet kan verzamelen in een besloten ruimte, noch uitstroomen nabij
    schoorsteenen, ramen of andere openingen van gebouwen. Het boveneinde zal T-
    vormig zijn uitgevoerd of door een kap zijn afgedekt, dan wel zijn omgebogen.
    De ventilatieleiding zal afwaterend naar den ketel zijn gelegd en zoodanig
    zijn ingericht, dat de toetredende lucht in den ketel binnenkomt door een ko-
    peren pijpje van circa 80 mm. lengte en 6 à 8 mm. inwendige middellijn.

  3. De ketel zal voorzien zijn van een dampleiding met een middellijn van ten
    minste 30 mm., waardoor bij het vullen van den ketel het daaruit ontwijkende
    mengsel van lucht en benzinedamp gevoerd wordt naar het aanvoerende reservoir,
    waaruit de vloeistof getapt wordt.

  4. De ketel zal geen andere inrichtingen voor toevoer van buitenlucht hebben dan
    de ventilatieleiding en de dampleiding.

  5. De ketel zal voorzien zijn van een vulleiding, welke tot een ten minste 2 cM.
    lager niveau in den ketel reikt dan de zuigleiding van de pomp. In den wand
    van deze pijp zullen ten hoogste 3 openingen voorkomen; van deze openingen zal
    de middellijn niet grooter zijn dan 3 mm.

  6. De aansluitkoppeling van de vulleiding zal zich niet bevinden binnen een ge-
    bouw.

  7. De ketel zal zoo ver zijn ingegraven, dat de dekking ten minste 50 cM. bedraagt.

  8. In den wand van ^de^ ~~het~~ voor het peilen gebruikte buis zullen ten hoogste 3 ope-
    ningen voorkomen; van deze openingen zal de middellijn niet grooter zijn dan
    3 mm.

  9. De inrichtingen voor het sluiten van de peilbuis, van de vulleiding en van de
    dampleiding zullen zoodanig zijn uitgevoerd, dat vermeden wordt dat staal of
    ijzer met staal of ijzer in aanraking komt.

  10. Bij de inrichting zal op een doelmatige plaats een hoeveelheid droog zand van
    ten minste 250 L. met twee doelmatige zandschoppen, aanwezig zijn, het zand Het document bevat gedetailleerde voorschriften die bedoeld zijn om brand- en explosiegevaar bij benzineopslag te minimaliseren. De belangrijkste technische aspecten zijn:

  11. Dampbeheersing: Punten 2 en 3 beschrijven een gesloten systeem waarbij dampen veilig worden afgevoerd of teruggevoerd naar de tankwagen/het reservoir ("dampretour").
  12. Vonkpreventie: Punt 9 is essentieel voor de veiligheid; het verbiedt contact tussen ijzerhoudende metalen bij openingen om mechanische vonken te voorkomen (mogelijk door gebruik van messing of brons).
  13. Explosiegrenzen: Er wordt verwezen naar de "methode Reinders" voor het bepalen van het vlampunt, wat duidt op een wetenschappelijk onderbouwde veiligheidsnorm uit die tijd.
  14. Brandbestrijding: Het voorschrift voor 250 liter zand (punt 10) was de standaardmethode voor het blussen van vloeistofbranden voordat moderne schuimblussers algemeen goed waren. Deze pagina is waarschijnlijk een bijlage bij een vergunning in het kader van de Hinderwet (de voorloper van de Wet milieubeheer) in Nederland. De gehanteerde spelling (zoals "zoodanige" en "hooger") en de terminologie wijzen op een datering tussen 1920 en 1950. Dergelijke documenten werden opgesteld door gemeentelijke instanties of de Arbeidsinspectie om de veiligheid bij tankstations of fabrieksopslag te waarborgen. De handgeschreven correcties suggereren dat dit een conceptversie was of dat de regels tijdens de inspectie werden aangescherpt.

Samenvatting

Het document bevat gedetailleerde voorschriften die bedoeld zijn om brand- en explosiegevaar bij benzineopslag te minimaliseren. De belangrijkste technische aspecten zijn:
* Dampbeheersing: Punten 2 en 3 beschrijven een gesloten systeem waarbij dampen veilig worden afgevoerd of teruggevoerd naar de tankwagen/het reservoir ("dampretour").
* Vonkpreventie: Punt 9 is essentieel voor de veiligheid; het verbiedt contact tussen ijzerhoudende metalen bij openingen om mechanische vonken te voorkomen (mogelijk door gebruik van messing of brons).
* Explosiegrenzen: Er wordt verwezen naar de "methode Reinders" voor het bepalen van het vlampunt, wat duidt op een wetenschappelijk onderbouwde veiligheidsnorm uit die tijd.
* Brandbestrijding: Het voorschrift voor 250 liter zand (punt 10) was de standaardmethode voor het blussen van vloeistofbranden voordat moderne schuimblussers algemeen goed waren.

Historische Context

Deze pagina is waarschijnlijk een bijlage bij een vergunning in het kader van de Hinderwet (de voorloper van de Wet milieubeheer) in Nederland. De gehanteerde spelling (zoals "zoodanige" en "hooger") en de terminologie wijzen op een datering tussen 1920 en 1950. Dergelijke documenten werden opgesteld door gemeentelijke instanties of de Arbeidsinspectie om de veiligheid bij tankstations of fabrieksopslag te waarborgen. De handgeschreven correcties suggereren dat dit een conceptversie was of dat de regels tijdens de inspectie werden aangescherpt.

Kooplieden in dit dossier 100

J. Volant " "
A. Troost Azn. Open laadbak
A.v.d.Herfden Open wagen
A. v. d. Herpten Open wagen
J. Vermeyden Buiten Amsterdam
A.v.d.Mey Buiten Amsterdam
A.B. Pouw buiten A'dam
A.B. Pouw Buiten Amsterdam
L. de Rooij Buiten Amsterdam
A. Troost Azn. Open wagen
A. Troost Azn. Open wagen
B Fa. Thiet " "
C. Bras Buiten Amsterdam
C. Bras Buiten Amsterdam
C. de Mooy Buiten Amsterdam
C. Kooy Buiten Amsterdam
C. Kooy Open wagen
C. Rustenburg buiten A'dam
C. Rustenburg Buiten Amsterdam
Alle 100 kooplieden →