Verslag of aantekeningen van een onderhoud (bespreking).
Origineel
Verslag of aantekeningen van een onderhoud (bespreking). Dinsdag 17 oktober 1939 ("Di. 17 Oct 39"). [Marginale notitie aan de linkerzijde:]
Voor ons belangrijk deel
[Hoofdtekst:]
Onderhoud met Hr. Bennink, Dir. N.V. Het Nederl. Veem
op Di. 17 Oct 39 (met v.Pr., Liaura, W. Hon).
Nadat ik den Hr. Bennink had uiteengezet, dat mijn advies
aan B en W. afhankelijk zou zijn van de plannen en kansen
van het door het Nederl. Veem te bouwen koel- en vrieshuis,
met name de kansen t.a.v. meerdere aanvoer van buitenl. fruit
in onze haven, deelde de Heer B. mee, dat er nog geen bepaalde
plannen en kansen zijn. Wel sprak hij van relaties met
scheepvaartmaatschappijen. Hierop deelde ik mee, dat deze
maatschappijen geen invloed kunnen uitoefenen op den aanvoer naar
A'dam, dat zulks geschiedt door de monopolistische
Nederlandsche Importeurs. Dezen nu hebben met ons juist een
contract en zijn vast geïnteresseerd bij de exploitatie van ons Koelhuis.
Ik stelde bovendien, dat men voor opslag van buitenl.
fruit (v.n. Amerik. appelen en peren) niet een havenkoelhuis
noodig heeft, (tenzij voor doorvoer en export), maar juist
ons marktkoelhuis, omdat de gr. importeurs de waren graag
bij de markt buitenl. producten hebben. Immers deze worden gekocht
door de A'damsche marktgrossiers, die deze producten dan, naar
de behoefte van de dag, uit dat koelhuis halen. Ze eerst opslaan
in een koelhuis in de haven, ze dan verkoopen aan grossiers,
die ze weer in ons marktkoelhuis (in kleinere partijen) opslaan,
heeft geen zin. Daarvoor lijden de producten.
Trouwens, zoo deelde ik mee, men slaat kisten met buitenl.
fruit niet in koelhuizen op; dat doet men slechts incidenteel
als de bootaanvoer overvloedig is. Dit geldt voor v.n. in het
winterseizoen (Spanje - Jaffa) fruit, doch het geldt ook
voor de Braziliaansche en Californische etc. in den zomer.
Ik stelde dus: 1e dat het Nederl. Veem practisch slechts een
hevige concurrent voor ons kan worden voor binnenl. fruit (druiven,
binnenl. appelen en peren), waarvoor een havenkoelhuis toch zeker
niet het aangewezen koelhuis is;
2e dat een dergelijke concurrentie door ons met nog lagere
tarieven zou worden beantwoord;
3e dat de tarieven reeds zoo laag zijn, dat wij bij een zeer
behoorlijke bezetting, reeds ± f 40.000.- per jaar verliezen;
4e dat het Nederl. Veem geen buitenl. fruit van beteekenis kan
krijgen, omdat zulks a) als regel niet wordt opgeslagen en
b) hij verklaart geen nieuwe bootaanvoeren op zijn programma
te hebben. In dit document rapporteert een ambtenaar of directeur (waarschijnlijk van het gemeentelijk marktkoelhuis in Amsterdam) over een gesprek met de directeur van Het Nederlandsch Veem. De kern van het betoog is dat de plannen van Het Nederl. Veem om een nieuw havenkoelhuis te bouwen onnodig en economisch onverstandig zijn.
De auteur voert de volgende argumenten aan:
1. Marktstructuur: Importeurs hebben reeds contracten met het bestaande marktkoelhuis en scheepvaartmaatschappijen hebben geen zeggenschap over waar de goederen worden opgeslagen.
2. Logistieke logica: Buitenlands fruit wordt direct door grossiers van de markt gehaald. Een extra tussenstop in een havenkoelhuis zou de kwaliteit van het fruit schaden en is onnodig voor de binnenlandse markt.
3. Operationele realiteit: Buitenlands fruit (zoals citrus uit Jaffa of appels uit Amerika) wordt doorgaans niet langdurig gekoeld opgeslagen, tenzij er sprake is van een overschot bij aankomst.
4. Financiële dreiging: Het marktkoelhuis is bereid een prijzenslag aan te gaan, ondanks het feit dat ze momenteel al een aanzienlijk verlies van circa 40.000 gulden per jaar lijden. Het document dateert van oktober 1939, enkele weken na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de logistiek in de Amsterdamse haven onderhevig aan grote onzekerheid. Er bestond een spanningsveld tussen private veembedrijven (zoals de N.V. Het Nederlandsch Veem) en gemeentelijke instellingen over de infrastructuur voor de op- en overslag van bederfelijke goederen. De vermelding van "monopolistische importeurs" en de specifieke herkomstgebieden van het fruit (Californië, Brazilië, Jaffa/Palestina) schetst een beeld van de destijds zeer internationale en georganiseerde fruitwereld in de Amsterdamse haven. De financiële druk op het bestaande koelhuis suggereert een verzadigde markt of inefficiënte exploitatie in crisistijd.