Ambtelijk advies / Brief.
Origineel
Ambtelijk advies / Brief. 3 juni 1939. Vermoedelijk de directeur van de Centrale Markt (ondertekend door M. Mulder). [Rechtsboven, handgeschreven:]
M. Mulder
VP/HG.
59/1/13 M.
3 Juni 1939.
Verzoek van H.G. Harte om
hem kwijtschelding te ver-
leenen van over het kalender-
jaar 1938 verschuldigd entrée-
geld voor de Centrale Markt.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 27 Mei jl. om advies ontvangen stuk no.433 L.M.1939 heb ik de eer U te berichten, dat adressant voor het kalenderjaar 1938 aanvankelijk een tuindersplaats op de Centrale Markt heeft bezet, weshalve hij ƒ 90,- schuldig was (artikel 12 lid 3 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden). Bovendien moest hij, krachtens artikel 12 lid 2 van het Reglement op de Centrale Markt, het op die markt verschuldigde entréegeld ten bedrage van ƒ 10,- per kalenderjaar betalen (artikel 15 lid 1 sub a der Heffingsverordening). Adressant heeft met ingang van 5 April 1938 opgehouden om de tuindersplaats te bezetten, omdat hij vanaf dien datum zijn producten door de op de Centrale Markt gevestigde veiling is gaan verkoopen. Ingevolge het Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 15 Maart 1935 (No.352 L.M.1935) kwam hij daarom voor gedeeltelijke kwijtschelding van het door hem verschuldigde marktgeld in aanmerking. Deze kwijtschelding is hem verleend, met dien verstande, dat hem niet bovendien kwijtschelding van het voor een kalenderjaar verschuldigde entréegeld werd toegestaan.
Het bovenaangehaalde Besluit van Burgemeester en Wethouders spreekt van de mogelijkheid van kwijtschelding van marktgeld; dit Besluit is steeds in dien zin begrepen, dat daaronder niet tevens het entréegeld werd verstaan, hoewel dit strikt formeel genomen ongetwijfeld mede als marktgeld
[Linksonder in de marge, handgeschreven:]
aantekening maken op slip In deze brief wordt advies uitgebracht aan de Wethouder voor de Levensmiddelen over een verzoek van een zekere H.G. Harte. Harte had in 1938 een "tuindersplaats" op de Centrale Markt waarvoor hij ƒ 90,- aan marktgeld en ƒ 10,- aan entréegeld verschuldigd was.
Omdat Harte per 5 april 1938 stopte met de directe verkoop vanaf zijn standplaats en overstapte op verkoop via de veiling (die zich ook op het marktterrein bevond), vroeg hij kwijtschelding aan. De administratie heeft hem reeds een gedeeltelijke kwijtschelding van het marktgeld verleend. Harte verzoekt nu echter ook om kwijtschelding van het entréegeld van ƒ 10,-. De ambtenaar adviseert negatief: hoewel entréegeld technisch gezien een vorm van marktgeld is, wordt het in de reglementen van 1935 strikt gescheiden gehouden. Men hanteert hier de lijn dat wie het terrein betreedt, entréegeld verschuldigd is, ongeacht of de standplaats het gehele jaar is gebruikt. Het document dateert van vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De "Centrale Markt" verwijst naar de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam, die in 1934 waren geopend om de voedseldistributie in de stad te centraliseren.
De brief illustreert de bureaucratische precisie van de Amsterdamse gemeentelijke diensten in die tijd. Er wordt nauwgezet verwezen naar specifieke verordeningen en eerdere besluiten van Burgemeester en Wethouders (B&W). De term "kantbrief" duidt op een korte ambtelijke mededeling of vraag die in de marge van een dossier werd gevoegd. De handgeschreven notitie "aantekening maken op slip" wijst op de administratieve verwerking in een kaartsysteem of register.