Officiële aanmaning (brief)
Origineel
Officiële aanmaning (brief) 2 februari 1939 Dienst Marktwezen Amsterdam, Jan van Galenstraat 14 MARKTWEZEN AMSTERDAM HG.
TELEFOONNUMMER 85151
VERZOEKE BIJ BEANTWOORDING DATUM EN NUMMER TE VERMELDEN
No. 90/3/6 M.
BIJLAGE
ONDERWERP:
AMSTERDAM (W.) 2 Februari 1939.
JAN VAN GALENSTRAAT 14
AAN
den Heer H. Acohen,
Lepelstraat 91 I,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 10.
Aangezien U gedurende langer dan drie weken in gebreke is gebleven, om het marktgeld, verschuldigd voor Uw plaats op de markt Mosplein te betalen, waarschuw ik U hierbij, dat U alsnog ~~vóór~~ op 4 Februari a.s. aan Uw verplichting moet voldoen.
Ik wijs U er met nadruk op, dat, indien U langer in gebreke blijft, de U verleende vaste plaats, ingevolge artikel 11 van het Reglement op de Markten, met ingang van 11 Februari a.s. onherroepelijk wordt ingetrokken.
Indien een geldige reden U verhindert, om aan Uw verplichtingen te voldoen (bijvoorbeeld omdat U steun geniet; in een ziekenhuis wordt verpleegd, enz.) dient U onmiddellijk mijn dienst hiervan in kennis te stellen, omdat dan kan worden voorkomen, dat de intrekking plaatsvindt.
De Directeur,
[Bovenaan handgeschreven in potlood:] Verzonden [paraaf]
[Linksonder drukkerijkenmerk:] A.Z. MODEL NO. 8. 10.000-6-'38-1633. De brief is een formele waarschuwing van de Amsterdamse Dienst Marktwezen. De geadresseerde, de heer H. Acohen, heeft een betalingsachterstand van meer dan drie weken voor zijn standplaats op de markt aan het Mosplein (Amsterdam-Noord). De toon van de brief is dwingend en bureaucratisch: er wordt gedreigd met het onherroepelijk intrekken van de standplaatsvergunning per 11 februari 1939, tenzij er voor de gestelde deadline (4 februari) betaald wordt of een geldige reden voor overmacht (zoals ziekte of werkloosheidssteun) wordt opgegeven.
Opvallend is de handmatige correctie in de getypte tekst, waarbij "vóór" is doorgehaald en vervangen door "op", wat de deadline iets ruimer maakte voor de ontvanger. Dit document dateert van februari 1939, een periode waarin Nederland nog kampte met de naweeën van de economische crisis van de jaren '30. Voor veel marktkooplieden was het financieel een zware tijd.
De naam van de geadresseerde (Acohen) en zijn woonadres in de Lepelstraat (gelegen in de Amsterdamse Jodenbuurt) duiden op een Joodse achtergrond. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog werd de administratie van Joodse burgers door de gemeente Amsterdam nauwgezet bijgehouden. Documenten zoals deze zijn vaak bewaard gebleven in archieven die de Joodse geschiedenis van de stad en de latere onteigening van rechten en bezit documenteren, hoewel deze specifieke brief op het moment van schrijven een reguliere gemeentelijke handeling betrof. De markt op het Mosplein was destijds een belangrijk commercieel middelpunt voor de bewoners van Amsterdam-Noord.