Handgeschreven zakelijke brief.
Origineel
Handgeschreven zakelijke brief. 24 februari 1939. M. Cohen (p/a Lootsteen), Lepelstraat 91 II, Amsterdam. [Stempel:] Nº 90/7/ M. 1939 1/3 [Rechtsboven:] A’dam 24 Febr. ’39
[Margenotitie:] ni. imp.
Mijnheer.
Hierbij deel ik U mede dat ik
mijn plaats op het Houtplein geen
gebruik meer van wenscht te maken.
Tevens verwonderd het mij dat ik van
U geen nader bericht heb ontvangen
omtrent mijn vorige brief, betreffende
mijn plaats op het Waterlooplein.
Hoogachtend
M. Cohen [Handtekening]
p/a Lootsteen
Lepelstraat 91 II
Amsterdam. * Inhoud: De schrijver, M. Cohen, zegt formeel het gebruik van een staanplaats op het "Houtplein" op. Tegelijkertijd spreekt hij zijn verbazing uit over het uitblijven van een reactie op een eerdere brief over een plek op het Waterlooplein.
* Taalgebruik: Het taalgebruik is formeel en typerend voor de periode (bijv. "wenscht" met de oude uitgang -t en de constructie "verwonderd het mij").
* Handschrift: Een vlot, hellend en geoefend handschrift in inkt. De handtekening is gezet met een zekere zwier.
* Administratieve context: Het document lijkt gericht aan een gemeentelijke instantie, waarschijnlijk het Bureau Marktwezen van de gemeente Amsterdam, gezien de aard van het onderwerp (marktplaatsen) en de archiefnummers. Dit document stamt uit februari 1939, een periode van grote spanning vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het adres van de afzender, de Lepelstraat 91 II, bevond zich in het hart van de Joodse buurt in Amsterdam. Het Waterlooplein was destijds de belangrijkste markt in deze wijk.
Voor veel bewoners van de Joodse buurt was een marktvergunning of een vaste staanplaats de primaire bron van inkomsten. De brief illustreert de bureaucratische interactie tussen een kleine handelaar en de gemeente over de toewijzing van deze vitale plekken. De toevoeging "p/a Lootsteen" geeft aan dat de afzender mogelijk inwoonde of zijn post liet bezorgen bij de familie Loodsteen/Lootsteen, een naam die vaker voorkwam in de Joodse gemeenschap van Amsterdam. M. Cohen Gemeente Amsterdam Marktwezen
Samenvatting
- Inhoud: De schrijver, M. Cohen, zegt formeel het gebruik van een staanplaats op het "Houtplein" op. Tegelijkertijd spreekt hij zijn verbazing uit over het uitblijven van een reactie op een eerdere brief over een plek op het Waterlooplein.
- Taalgebruik: Het taalgebruik is formeel en typerend voor de periode (bijv. "wenscht" met de oude uitgang -t en de constructie "verwonderd het mij").
- Handschrift: Een vlot, hellend en geoefend handschrift in inkt. De handtekening is gezet met een zekere zwier.
- Administratieve context: Het document lijkt gericht aan een gemeentelijke instantie, waarschijnlijk het Bureau Marktwezen van de gemeente Amsterdam, gezien de aard van het onderwerp (marktplaatsen) en de archiefnummers.
Bron-evidence
4
dat ik mijn plaats op het Houtplein geen gebruik meer van wenscht te maken
dat ik van U geen nader bericht heb ontvangen omtrent mijn vorige brief, betreffende mijn plaats op het Waterlooplein
p/a Lootsteen Lepelstraat 91 II Amsterdam
Lepelstraat 91 II Amsterdam
Historische Context
Dit document stamt uit februari 1939, een periode van grote spanning vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het adres van de afzender, de Lepelstraat 91 II, bevond zich in het hart van de Joodse buurt in Amsterdam. Het Waterlooplein was destijds de belangrijkste markt in deze wijk.
Voor veel bewoners van de Joodse buurt was een marktvergunning of een vaste staanplaats de primaire bron van inkomsten. De brief illustreert de bureaucratische interactie tussen een kleine handelaar en de gemeente over de toewijzing van deze vitale plekken. De toevoeging "p/a Lootsteen" geeft aan dat de afzender mogelijk inwoonde of zijn post liet bezorgen bij de familie Loodsteen/Lootsteen, een naam die vaker voorkwam in de Joodse gemeenschap van Amsterdam.