Archiefdocument
Origineel
Circa november 1940 (gebaseerd op de genoemde ingangsdata in de tekst). WINTERREGELING VOOR OVERWERK
IN VERBAND MET DE VERDUISTERING.
In het komende wintertydperk zullen de bestaande verduisteringsvoorschriften moeilykheden opleveren by den arbeid in fabrieken en werkplaatsen, in het byzonder ten aanzien van overwerk. De waarnemend Secretaris-Generaal van het departement van Sociale Zaken heeft thans in de Staatscourant een regeling voor overwerk afgekondigd.
Aan hoofden en bestuurders van ondernemingen in alle gemeenten des Ryks, in wier fabrieken of werkplaatsen in verband met de bestaande verduisteringsvoorschriften moeilykheden worden ondervonden, wordt toegestaan, dat, met inachtneming van de voorwaarde, hieronder onder C. genoemd, in die fabrieken of werkplaatsen gebruik wordt gemaakt van één der onder A. en B. hiervolgend genoemde overwerkregelingen.
A. In afwyking van het bepaalde in de artikelen 23 en 24 der Arbeidswet 1919 mag door arbeiders gedurende het tydvak van heden tot en met 31 Maart 1941 worden gewerkt met inachtneming van de hierna onder 1 tot en met 4 te noemen voorschriften:
1. in het tydvak van Zaterdag 7 December 1940 tot en met Zaterdag 11 Januari 1941 mag op Zaterdag arbeid worden verricht tusschen zonsopgang en zonsondergang
2. op de overige Zaterdagen, in het tydvak van heden tot en met 31 Maart 1941 mag arbeid worden verricht tusschen zonsopgang en 5 1/2 uur na zonsopgang, of, indien op Zaterdag een rusttyd van ten minste een half uur wordt gegeven, tusschen zonsopgang en 6 uur na zonsopgang
3. door arbeiders, ten aanzien van wie van deze vergunning wordt gebruik gemaakt, mag in het sub 2 genoemde tydvak geen arbeid worden verricht vóór zonsopgang en na zonsondergang
4. de uren, welke door het gedurende een aantal weken korter werken dan 48 uren per week ten gevolge van de verduisteringsvoorschriften verloren gaan, mogen door de arbeiders van 16 jaar of ouder ten bedrage van ten hoogste 38 uren worden ingehaald in de overblyvende weken van het tydvak van heden tot en met 31 Maart 1941, met dien verstande, dat de werktyd van de mannen niet meer mag bedragen dan ten hoogste 11 uren per dag en 60 uren per week en de werktyd van de jeugdige personen van 16 jaar of ouder en vrouwen niet meer dan ten hoogste 10 uren per dag en 55 uren per week.
Inhalen van verlet.
B. In afwyking van het bepaalde in artikel 24 der Arbeidswet 1919 mag het verlet, ontstaan doordat in het tydvak van 17 November 1940 tot en met 25 Januari 1941 ten gevolge van de bestaande verduisteringsvoorschriften korter dan 48 uren per week is gewerkt, door de arbeiders van 16 jaar of ouder in het resteerende deel van het tydvak van heden tot en met 31 Maart 1941 worden ingehaald, met inachtneming van de volgende bepalingen: * Taal en Spelling: Het document hanteert de spelling van vóór de wijzigingen van 1947/1954. Kenmerkend is het gebruik van de 'y' in plaats van 'ij' (bijv. tydperk, moeilykheden, verlyvende, werktyd).
* Juridische Context: De tekst verwijst expliciet naar afwijkingen van de Arbeidswet 1919 (artikelen 23 en 24). Dit duidt op een noodverordening om de economische productie op gang te houden ondanks de beperkingen van de oorlogstijd.
* Inhoudelijke Kern: De regeling staat toe dat verloren gegane werkuren (door de gedwongen verduistering in de avond en vroege ochtend) worden ingehaald. Er worden strikte maxima gesteld aan de nieuwe werkweek: tot 60 uur voor mannen en 55 uur voor vrouwen en jongeren boven de 16.
* Structuur: De tekst is strikt administratief en hiërarchisch opgebouwd met genummerde leden en sub-secties (A en B). De onderzijde van de pagina breekt af bij de overgang naar de bepalingen onder punt B. Dit document stamt uit de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1941). De verduistering (Verduisteringsvoorschriften) was een dwingende maatregel van de bezetter om geallieerde piloten het navigeren en bombarderen bij nacht onmogelijk te maken.
Omdat veel fabrieken destijds nog afhankelijk waren van daglicht of onvoldoende lichtdicht gemaakt konden worden om 's avonds door te werken, ontstond er "verlet" (werkverlies). De Nederlandse secretarissen-generaal, die onder toezicht van de Duitsers het bestuur voortzetten, voerden deze regelingen in om de industriële productie (die vaak ook ten dienste stond van de Duitse oorlogsindustrie) te waarborgen. Het document illustreert de frictie tussen de strenge vooroorlogse arbeidswetgeving en de harde realiteit van de bezettingstijd.