Officieel formulier (Bijblad) met handgeschreven notities en ambtelijke stempels.
Origineel
Officieel formulier (Bijblad) met handgeschreven notities en ambtelijke stempels. 16 december 1940 (stempel) en 18 december 1940 (notitie). [Stempel linksboven:]
BIJBLAD VAN:
Mr. No. 66/26/1 1940
DOORGEZONDEN: 16/12 1940.
[Handgeschreven rechtsboven:]
J Agsteribbe
Vrolikstraat 52
I
[Hoofdtekst, handgeschreven:]
betreft schuld vrijplaats in de hal
December 1939. f 27.50 -
Zou momenteel een steun zijn
mij geen toegang tot de centrale
markt verleenen zoolang schuld
niet is voldaan
[Handgeschreven aantekening onder midden:]
zullen wel moeten
betalen
ts 17/12-40
[Stempel rechtsonder:]
16 DEC. 1940
[Handgeschreven in blauwe inkt, rechtsonder:]
over December 1939
te worden aangeschreven
AD [gevolgd door paraaf]
[Handgeschreven in rode inkt, linksonder:]
18/12/40
66/26/2
[Gedrukte tekst linksonder:]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Dit document is een ambtelijk bijblad, waarschijnlijk van de gemeente Amsterdam, betreffende een openstaande schuld van een markthandelaar. De heer J. Agsteribbe heeft een schuld van f 27,50 (27 gulden en 50 cent) uit december 1939 voor een "vrijplaats" (een gereserveerde standplaats) in de markthal.
De kern van de notitie is dat Agsteribbe de toegang tot de Centrale Markthallen wordt ontzegd zolang deze schuld niet is voldaan. Er wordt opgemerkt dat het voldoen van de schuld (of het kwijtschelden ervan, afhankelijk van de interpretatie van "steun") momenteel zeer gewenst is. De ambtelijke besluitvorming ("zullen wel moeten betalen") suggereert dat de gemeente vasthoudt aan de betalingsverplichting. De diverse data en kenmerken laten zien dat de kwestie een jaar na het ontstaan van de schuld, in december 1940, opnieuw werd behandeld. Het document dateert uit december 1940, de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. De Vrolikstraat in Amsterdam-Oost was een straat met een aanzienlijke Joodse populatie. De achternaam Agsteribbe is een bekende Portugees-Joodse naam in Amsterdam.
De Centrale Markthallen waren het logistieke hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Voor een koopman betekende het ontzeggen van de toegang tot de markt een direct verlies van inkomen en broodwinning. In deze periode begonnen de bezetters met het invoeren van anti-Joodse maatregelen, waardoor de economische positie van Joodse Amsterdammers steeds verder onder druk kwam te staan. Bureaucratische documenten zoals deze tonen hoe de dagelijkse overleving van burgers vaak afhankelijk was van kleine schulden en ambtelijke besluitvorming in een steeds vijandiger wordende omgeving. J. Agsteribbe Gemeente Amsterdam
Samenvatting
Dit document is een ambtelijk bijblad, waarschijnlijk van de gemeente Amsterdam, betreffende een openstaande schuld van een markthandelaar. De heer J. Agsteribbe heeft een schuld van f 27,50 (27 gulden en 50 cent) uit december 1939 voor een "vrijplaats" (een gereserveerde standplaats) in de markthal.
De kern van de notitie is dat Agsteribbe de toegang tot de Centrale Markthallen wordt ontzegd zolang deze schuld niet is voldaan. Er wordt opgemerkt dat het voldoen van de schuld (of het kwijtschelden ervan, afhankelijk van de interpretatie van "steun") momenteel zeer gewenst is. De ambtelijke besluitvorming ("zullen wel moeten betalen") suggereert dat de gemeente vasthoudt aan de betalingsverplichting. De diverse data en kenmerken laten zien dat de kwestie een jaar na het ontstaan van de schuld, in december 1940, opnieuw werd behandeld.
Historische Context
Het document dateert uit december 1940, de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. De Vrolikstraat in Amsterdam-Oost was een straat met een aanzienlijke Joodse populatie. De achternaam Agsteribbe is een bekende Portugees-Joodse naam in Amsterdam.
De Centrale Markthallen waren het logistieke hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Voor een koopman betekende het ontzeggen van de toegang tot de markt een direct verlies van inkomen en broodwinning. In deze periode begonnen de bezetters met het invoeren van anti-Joodse maatregelen, waardoor de economische positie van Joodse Amsterdammers steeds verder onder druk kwam te staan. Bureaucratische documenten zoals deze tonen hoe de dagelijkse overleving van burgers vaak afhankelijk was van kleine schulden en ambtelijke besluitvorming in een steeds vijandiger wordende omgeving.