Archiefdocument
Origineel
Maurits Polak, gevestigd aan de Swammerdamstraat 20, Amsterdam. Mijnheer Terhan!
Met dit schrijven
geef ik mijn plaats
op 't Mosplein op.
Gelieve s.v.p. mijn legitimatie-
kaart mede te geven, van Uilenburg.
Hoogachtend M. Polak.
[Ondersteboven aan de onderzijde:]
MAURITS POLAK
IMPORTEUR „JAN PLANK”
SCHEERBENODIGDHEDEN, PARFUMERIEËN
SWAMMERDAMSTRAAT 20, TEL. 54607
AMSTERDAM O. (HOLLAND)
[Handgeschreven toevoeging:]
H. van Geest 77 De brief is een korte, zakelijke mededeling van Maurits Polak aan een zekere heer Terhan. Polak geeft hierbij officieel zijn standplaats op de markt aan het Mosplein (in Amsterdam-Noord) op. Hij verzoekt om zijn legitimatiekaart mee te geven aan een afgezant, de heer Van Uilenburg.
Het document is administratief gekenmerkt met een nummer en de datum 14 juni 1940. Dit is exact één maand na de Nederlandse capitulatie in de Tweede Wereldoorlog. De namen Polak en Van Uilenburg duiden op een Joodse achtergrond, wat in de context van de begindagen van de bezetting van historisch belang is. Het opzeggen van een marktplaats kan een vroeg signaal zijn van de beperkingen die Joodse ondernemers opgelegd kregen of de noodzaak om hun activiteiten te staken. Maurits Polak (1894-1943) was een Amsterdamse koopman en importeur. Het Mosplein was in die tijd een druk marktplein in Amsterdam-Noord. De wijk Uilenburg in het centrum van Amsterdam was historisch gezien een belangrijke buurt voor de Joodse gemeenschap.
Gezien de datum (juni 1940) bevindt dit document zich op het kantelpunt waarbij de Duitse bezetter begon met het inventariseren en vervolgens uitsluiten van Joodse burgers uit het openbare en economische leven. Archiefonderzoek wijst uit dat Maurits Polak tijdens de Holocaust is vermoord in Sobibor, wat dit ogenschijnlijk eenvoudige administratieve briefje een tragische lading geeft als onderdeel van de bureaucratische afwikkeling van zijn bestaan in Amsterdam. H. van Geest M. Polak
Samenvatting
De brief is een korte, zakelijke mededeling van Maurits Polak aan een zekere heer Terhan. Polak geeft hierbij officieel zijn standplaats op de markt aan het Mosplein (in Amsterdam-Noord) op. Hij verzoekt om zijn legitimatiekaart mee te geven aan een afgezant, de heer Van Uilenburg.
Het document is administratief gekenmerkt met een nummer en de datum 14 juni 1940. Dit is exact één maand na de Nederlandse capitulatie in de Tweede Wereldoorlog. De namen Polak en Van Uilenburg duiden op een Joodse achtergrond, wat in de context van de begindagen van de bezetting van historisch belang is. Het opzeggen van een marktplaats kan een vroeg signaal zijn van de beperkingen die Joodse ondernemers opgelegd kregen of de noodzaak om hun activiteiten te staken.
Historische Context
Maurits Polak (1894-1943) was een Amsterdamse koopman en importeur. Het Mosplein was in die tijd een druk marktplein in Amsterdam-Noord. De wijk Uilenburg in het centrum van Amsterdam was historisch gezien een belangrijke buurt voor de Joodse gemeenschap.
Gezien de datum (juni 1940) bevindt dit document zich op het kantelpunt waarbij de Duitse bezetter begon met het inventariseren en vervolgens uitsluiten van Joodse burgers uit het openbare en economische leven. Archiefonderzoek wijst uit dat Maurits Polak tijdens de Holocaust is vermoord in Sobibor, wat dit ogenschijnlijk eenvoudige administratieve briefje een tragische lading geeft als onderdeel van de bureaucratische afwikkeling van zijn bestaan in Amsterdam.