Officiële circulaire/dienstmededeling van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële circulaire/dienstmededeling van de Gemeente Amsterdam. 16 december 1941. De Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte) en de Gemeentesecretaris (J.F. Franken). GEMEENTE AMSTERDAM
No. 1215 G.B. 1941. Amsterdam, 16 December 1941
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD
NAUWKEURIG HET NUMMER VAN DIT SCHRIJVEN
EN DE AFDEELING TE VERMELDEN.
[Handgeschreven in rood:] m.w.
Mij is gebleken, dat zich gevallen voor-
doen, dat eigendommen van de Gemeente, als
machines en onderdeelen daarvan, werktuigen,
voer- en vaartuigen, enz., die niet meer in
gebruik zijn, niet of zeer slecht zijn onder-
houden en daardoor geheel of gedeeltelijk on-
bruikbaar werden.
Hierin vind ik aanleiding U op te dragen
er voor te zorgen, dat alle onder Uw beheer
staande gemeentelijke eigendommen, ook al zijn
zij buiten gebruik gesteld, in zoodanigen
staat worden onderhouden, dat de bruikbaar-
heid niet verloren gaat. Indien aan deze op-
dracht niet blijkt te zijn voldaan, stel ik U
persoonlijk daarvoor verantwoordelijk.
Sh. De Burgemeester van Amsterdam,
[Handtekening:] Voûte
[Handgeschreven in rood:] Mr. Jonkman t. bespr.
[Handgeschreven in groen:] [Paraaf]
de Gemeentesecretaris,
[Handtekening:] J. F. Franken.
Aan
Heeren Hoofden van Diensten,
Bedrijven en Administratien.
C.S.Stadhuis
A'dam, 12-'41.
[Stempel:] Nº 7/30/1 M. 1941 28/12
Model G.A. 5
Stadsdrukkerij Amsterdam
* 22989-11-41-5000 In dit schrijven uit de burgemeester zijn ongenoegen over het gebrekkige onderhoud van gemeentelijke eigendommen (machines, voertuigen, gereedschappen), in het bijzonder wanneer deze niet direct in gebruik zijn. Hij constateert dat kapitaalgoederen hierdoor onbruikbaar worden.
De kern van de brief is een strikte dienstopdracht: alle hoofden van diensten moeten zorgdragen voor de staat van het materieel onder hun beheer. De burgemeester voegt hier een expliciet dreigement aan toe: bij nalatigheid worden de hoofden persoonlijk verantwoordelijk gesteld. De toon is autoritair en formeel, wat kenmerkend is voor de bestuurscultuur in oorlogstijd. Het document dateert van december 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De ondertekenaar, Edward Voûte, was de door de bezetter benoemde regeringscommissaris-burgemeester van Amsterdam (een pro-Duitse functionaris, hoewel geen NSB-lid).
De nadruk op het behoud van materieel is in deze context zeer relevant. Vanwege de oorlogseconomie waren grondstoffen, onderdelen en nieuwe machines schaars. Alles wat de gemeente bezat, was van cruciaal belang voor het draaiende houden van de stad, maar mogelijk ook voor de belangen van de bezetter (vorderingen). De persoonlijke aansprakelijkstelling van ambtenaren past in de 'gelijkschakeling' en de strengere hiërarchische controle die de bezettingsautoriteiten en hun stromannen oplegden aan het overheidsapparaat. E.J. Vo F. Franken J.F. Franken Gemeente Amsterdam NSB Stadhuis