Getypte brief (doorslag of concept op dun papier).
Origineel
Getypte brief (doorslag of concept op dun papier). 9 december 1941. De Directeur (van een niet nader genoemde gemeentelijke dienst). Directeur der Afdeeling Arbeidszaken, Raadhuis, Alhier. [Handgeschreven in paars potlood:] Verzonden 9/12
VD/HG.
den Heer Directeur der
Afdeeling Arbeidszaken,
Raadhuis,
A l h i e r .
8A/128/2 M.
9 December 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 3 dezer No.2182 Arb.1941 heb ik de eer U te berichten, dat ambtenaren of werklieden, bedoeld onder A, sedert het jaar 1934 niet bij mijn dienst zijn ontslagen.
Ook personeel, bedoeld onder B. was bij mijn dienst niet werkzaam.
De Directeur, Dit document is een formele ambtelijke reactie op een eerdere informatieaanvraag van de Afdeeling Arbeidszaken. De kern van de brief is een ontkenning: de gezochte personen uit twee specifieke categorieën (A en B) zijn niet werkzaam (geweest) bij de betreffende dienst.
- Inhoudelijke punten:
- Er wordt gerefereerd aan een brief van 3 december 1941 (No. 2182 Arb. 1941).
- De afzender verklaart dat er sinds 1934 geen personeelsleden uit "categorie A" zijn ontslagen.
- Er wordt verklaard dat er geen personeel uit "categorie B" werkzaam was bij de dienst.
- Vorm: De brief is kort en zakelijk, geschreven in de destijds gebruikelijke ambtelijke stijl ("heb ik de eer U te berichten"). Het ontbreken van een handtekening en de aard van het papier suggereren dat dit een kopie voor het eigen archief is. De datum van de brief, 9 december 1941, is cruciaal voor de interpretatie. Nederland was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. Tijdens de bezetting voerde het ambtenarenapparaat op last van de bezetter diverse administratieve onderzoeken uit naar het personeelsbestand.
De verwijzing naar "categorie A" en "categorie B" in combinatie met ontslagen sinds de jaren '30 is tekenend. Vaak hadden dergelijke inventarisaties betrekking op de politieke achtergrond (bijvoorbeeld communisten of socialisten) of de etnische afkomst (de Joodse identiteit) van werknemers. In 1940 en 1941 werden Joodse ambtenaren stelselmatig geregistreerd en vervolgens ontslagen. De specifieke vermelding van het jaar 1934 kan wijzen op een controle of er in het verleden reeds ontslagen hadden plaatsgevonden op basis van politieke motieven of vroege anti-Joodse maatregelen die elders (zoals in Duitsland) reeds van kracht waren.
De Afdeeling Arbeidszaken in het Raadhuis fungeerde hierbij als centraal punt voor de personeelsadministratie van de gemeente, die de orders van de bezetter of de collaborerende burgemeester moest uitvoeren.