Officiële bekendmaking (Algemeene Kennisgeving).
Origineel
Officiële bekendmaking (Algemeene Kennisgeving). GEMEENTE AMSTERDAM
ALGEMEENE KENNISGEVING
No. 430.
De Regeeringscommissaris voor Amsterdam brengt ter algemeene kennis, dat hij heeft besloten:
1o. met ingang van 9 Mei 1941 te verbieden nà 8 uur v.m. met andere artikelen dan gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen te venten of voorwerpen of stoffen van welken aard ook op te koopen in de Camperstraat, op den Iepenweg en op het Iepenplein alsmede op den openbaren weg binnen een afstand van 25 meter van bovengenoemde wegen, behalve voor zoover betreft de Eerste, Tweede en Derde Oosterparkstraat, waar het venten en opkoopen is verboden tot 50 meter van de Camperstraat, den Iepenweg en het Iepenplein;
2o. aan de lompenventers op een daartoe strekkend verzoek tot nader order dispensatie van dit verbod te verleenen.
Amsterdam, 23 Mei 1941.
EL
De Regeeringscommissaris voornoemd,
VOÛTE
de Gemeentesecretaris,
J.F. FRANKEN. Dit document is een officieel verbod op straathandel (venten) en het opkopen van goederen in specifieke straten in Amsterdam-Oost (Camperstraat, Iepenweg, Iepenplein en omliggende zones). Het verbod geldt dagelijks na 8:00 uur 's ochtends. Opvallend is dat gedrukte en geschreven stukken (zoals kranten of pamfletten) expliciet worden uitgezonderd van dit handelsverbod.
Er wordt een uitzonderingsclausule opgenomen voor "lompenventers", die via een verzoek ontheffing (dispensatie) kunnen krijgen. Het besluit wordt met terugwerkende kracht (vanaf 9 mei) afgekondigd. De strikte geografische afbakening (tot op de meter nauwkeurig in zijstraten zoals de Oosterparkstraten) duidt op een zeer gerichte maatregel om economische activiteit of samenscholingen in deze specifieke buurt te reguleren. De datum van dit document, mei 1941, plaatst de kennisgeving midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Edward Voûte, die het document ondertekent als "Regeeringscommissaris", was door de bezetter aangesteld na het ontslaan van de gekozen gemeenteraad en het college van B&W als gevolg van de Februaristaking eerder dat jaar.
Dergelijke maatregelen dienden vaak meerdere doelen voor de bezetter en het collaborerende stadsbestuur: het beheersen van de zwarte handel, het beperken van bewegingsvrijheid in volkswijken en het uitoefenen van controle over de openbare ruimte. De keuze voor deze specifieke straten in de Oosterparkbuurt kan samenhangen met de aanwezigheid van Joodse bewoners of marktkooplieden, aangezien de bezetter in deze periode de Joodse bevolking steeds verder isoleerde en hun economische mogelijkheden inperkte. Het feit dat gedrukte media wél toegestaan bleven, suggereert dat de maatregel primair gericht was op de handel in schaarse goederen en stoffen, en minder op de verspreiding van (waarschijnlijk gecensureerde) informatie. E.J. Vo J.F. Franken Gemeente Amsterdam