Archiefdocument
Origineel
-8-
in steun zyn. Ook deze 25 personen zyn verdeeld in groe-
pen A, B en C, zooals ten aanzien van de houders van vent-
vergunningen is geschied. Spreker acht het, naar analogie
van hetgeen by de venters is besproken gewenscht, dat ook
dezen standplaatshouders wordt gevraagd, of zy binnen en-
kele maanden weder van hun standplaatsvergunning gebruik
denken te maken.
De heer Gaaikema is hiertegen. Spreker stelt voor, om deze standplaats-
vergunningen zonder meer in te trekken. Hy wyst erop, dat
de bedoelde standplaatsen sedert geruimen tyd niet zyn be-
zet. Er zyn vele gegadigden, die graag voor een stand-
plaatsvergunning in aanmerking zullen komen. Aangezien
blykt, dat de hier bedoelde vergunninghouders de gunst,
die hun in den vorm van de standplaatsvergunning is ver-
leend, niet voldoende waardeeren, acht spreker het in het
belang van de andere venters, dat de hier bedoelde vergun-
ningen zonder meer worden ingetrokken.
De heer Seegers is het met deze redeneering niet eens. De hier bedoelde
standplaatshouders denken, dat hun standplaatsvergunning
gereserveerd is; het is dus billyk hen te hooren, voordat
men tot intrekking overgaat.
De heeren Neeter, Fresser en Van 't Hek onderschryven de meening van den
heer Seegers. Deze vier heeren stellen voor, de op de on-
derhavige lyst voorkomende 25 personen op te roepen en hun
de vraag voor te leggen of zy denken binnen drie maanden
weder van hun standplaats gebruik te maken. Indien deze
vraag ontkennend wordt beantwoord, of indien zy in gebreke
blyven om weder te gaan staan, terwyl zy dit toezegden,
kan de standplaatsvergunning worden ingetrokken.
De heer Gaaikema is hiertegen, en handhaaft zyn bovenvermelde opvatting.
De Voorzitter deelt mede, dat de Wethouder in verband met het boven-
staande de vraag heeft gesteld, of het mogelyk is de
standplaatsen van vergunninghouders, die in steun gaan
tydelyk te laten bezetten door andere venters.
De heer Fresser acht het ongewenscht, dat de standplaatsen van onder-
steunden tydelyk aan andere venters worden verleend. Deze Dit document betreft de notulen van een vergadering (waarschijnlijk een gemeentelijke commissie of een marktraad) waarin het lot van 25 standplaatshouders wordt besproken. Deze kooplieden maken momenteel geen gebruik van hun vergunning omdat zij "in de steun" zitten (werkloosheidssteun ontvangen).
Er ontstaat een duidelijk conflict tussen twee standpunten:
1. Het zakelijke/harde standpunt (Gaaikema): Hij pleit voor onmiddellijke intrekking van de vergunningen. Zijn argumenten zijn efficiëntie (de plekken zijn onbezet) en een moreel oordeel: wie de vergunning niet gebruikt, "waardeert de gunst niet". Hij wijst op de lange wachtlijst van andere gegadigden.
2. Het sociale/procedurele standpunt (Seegers, Neeter, Fresser, Van 't Hek): Zij pleiten voor hoor en wederhoor. Zij vinden dat de kooplieden het recht hebben om aan te geven of ze binnen drie maanden terugkeren. Pas bij een negatief antwoord of het niet nakomen van een belofte mag intrekking volgen.
Aan het eind van de pagina wordt een tussenoplossing van de Wethouder besproken: het tijdelijk laten bezetten van de lege plekken. De heer Fresser spreekt hier direct zijn veto over uit, hoewel zijn argumentatie op de volgende pagina zal doorlopen. De namen in het document, met name Neeter en Fresser, zijn zeer specifiek voor de vooroorlogse en vroege oorlogsjaren in Amsterdam. Jacob Fresser was een bekende vertegenwoordiger van de (veelal Joodse) marktkooplieden in Amsterdam.
De tekst ademt de sfeer van de vroege jaren '40 (ca. 1941). Tijdens de bezetting werden Joodse marktkooplieden steeds verder beperkt in hun werkzaamheden, waardoor velen afhankelijk werden van de 'steun'. De discussie over het intrekken van hun vergunningen omdat ze hun plek niet bezetten, krijgt in dat licht een wrange bijsmaak: het was voor velen fysiek of wettelijk onmogelijk geworden om hun beroep uit te oefenen. De strijd van figuren als Fresser was er vaak op gericht om de rechten van deze kooplieden zo lang mogelijk te beschermen tegen bureaucratische uitsluiting. De heer Gaaikema de heer Seegers de heren Neeter Fresser en Van 't Hek de Voorzitter en de Wethouder.