Ambtsnotitie/interne correspondentie op een formulierfragment (Alg. Zaken Model No. 14).
Origineel
Ambtsnotitie/interne correspondentie op een formulierfragment (Alg. Zaken Model No. 14). Verschillende data genoteerd: 20-08-1941 (stempel), 22-10-1941 en 21-11-1941 (notities). [Linksboven stempel]
BIJBLAD VAN:
M. No. 72/55/1 1941
DOORGEZONDEN: 20/8
[Rechtsboven handgeschreven]
Contr. Reijinga 208
(HVD)
[Hoofdtekst]
Met rapport contr. Reijinga kan ik mij
niet vereenigen.
Standplaatshouders staan reeds een aantal
jaren in de Lepelstraat. Het rijverkeer in
deze straat is zeer gering. Verplaatsing
naar N. Heerengracht zal aan genoemden
standplaatshouders zeer, ~~onwenschelijk zijn~~.
zeker groot nadeel berokkenen.
22-10-41
d’Ettau
Met Hr. Gooikens besproken.
Deze is met mij van meening
dat verplaatsing thans niet
moet geschieden. 21-11-41 d’Ettau
[Margenotitie rechtsonder]
N. Akker insp.-mut. ter
ter kennis terugh
politie
22-10-41
ay
[Onderaan in rood]
zie m. Anoniem, kan dus niet beantwoorden. De kern van dit document is een ambtelijke afwijzing van een voorstel van Controller Reijinga. Reijinga had blijkbaar voorgesteld om standplaatshouders (straatverkopers) te verplaatsen van de Lepelstraat naar de Nieuwe Heerengracht. De functionaris d’Ettau maakt hier bezwaar tegen op basis van twee argumenten:
1. Verkeerstechnisch: Er is nauwelijks rijverkeer in de Lepelstraat, dus de kramen vormen geen hinder.
2. Sociaal-economisch: De standplaatshouders staan daar al jaren; een gedwongen verhuizing zou hen "zeker groot nadeel berokkenen" (financieel verlies).
Na ruggenspraak met de heer Gooikens wordt definitief besloten de verplaatsing niet uit te voeren. De rode notitie onderaan wijst erop dat de aanleiding voor deze correspondentie mogelijk een anoniem schrijven was, waardoor een formele beantwoording aan een indiener onmogelijk was. Het document dateert uit de herfst van 1941, een cruciale periode tijdens de Duitse bezetting. De Lepelstraat en de Nieuwe Heerengracht bevinden zich in de Amsterdamse Jodenbuurt. In deze periode nam de druk op de Joodse bevolking en hun economische activiteiten enorm toe. De bezetter en de collaborerende gemeente probeerden de Joodse straathandel te reguleren, in te perken of te concentreren. Deze notitie toont een moment van interne bureaucratische frictie waarbij een ambtenaar (d'Ettau) tracht de bestaande situatie van de (veelal Joodse) kleine handelaren te beschermen tegen onnodige verplaatsingen die hun broodwinning in gevaar zouden brengen. Controller Reijinga Hr. Gooikens d’Ettau (ondertekenaar) N. Akker. Politie