Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 27 maart 1942. Mevr. E. de Goede, Sumatrastraat 3/I, Amsterdam (Oost). № 10/3/63 M. 1942 30/3
A’dam 27 Maart 1942
WelEd. Heer
Ondergetekende vraagt u bij dezen vriendelijk doch
beleefd mij eenige inlichtingen te geven
en wel deze waar ik mij wenden welk adres
aangezien ik mijn man vrij wil hebben
uit het Werkkamp te Sellingen Beetse
(Prov) Groningen aangezien mijn man
Lompenventer en zijn contr: num: is 1116
Rijksverg: nº 1234 Reden dat de Lompen-
venters vrij van het werkkamp zijn maar aan-
gezien ik reeds verschillende adressen heb
geschreven zoo vraag ik u nogmaals beleefd
mij hierop een gunstig antwoord te sturen
Hiermede stuur ik u een briefje van het
Rijksbureau en vraag u tevens of u mij dit
tevens terug wil sturen
Bij voorbaat mijn dank Teeken ik
Achtend
Mevr: E. de Goede
Sumatrastr: 3/I
a’dam (O) In deze brief verzoekt Mevrouw E. de Goede om informatie over de juiste instantie waar zij zich toe kan wenden om haar man vrij te krijgen uit een werkkamp. Haar man verblijft op dat moment in Werkkamp Sellinger Beetse in de provincie Groningen.
Zij voert als argument voor zijn vrijlating aan dat hij een "Lompenventer" (voddenman) is. Zij verschaft hierbij specifieke administratieve bewijzen: een controlenummer (1116) en een Rijksvergunning (nº 1234). Volgens haar zeggen zouden beoefenaars van dit beroep vrijgesteld moeten zijn van tewerkstelling in de kampen. Uit de brief blijkt een zekere mate van wanhoop en volharding; zij vermeldt dat zij al naar verschillende andere adressen heeft geschreven zonder resultaat. Als bijlage stuurt zij een officieel bewijsstuk van het Rijksbureau mee, met het nadrukkelijke verzoek dit aan haar te retourneren. De brief dateert uit maart 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Dit was een cruciale periode waarin de zogenaamde "werkverschaffingskampen" in Noord- en Oost-Nederland (zoals Sellingen Beetse) door de bezetter werden ingezet om grote groepen Joodse mannen uit de steden, met name Amsterdam, te isoleren en dwangarbeid te laten verrichten.
Veel families probeerden in deze periode via administratieve weg hun verwanten vrij te krijgen door te wijzen op onmisbaarheid in het economisch proces of specifieke beroepsvrijstellingen (zoals de handel in lompen, die belangrijk was voor de grondstoffenvoorziening). Vaak waren deze pogingen een race tegen de klok; later in 1942 werden de mannen uit deze kampen op grote schaal gedeporteerd naar kamp Westerbork en van daaruit naar de vernietigingskampen in het Oosten. Het adres van de afzendster, de Sumatrastraat in de Indische Buurt, was een wijk waar destijds veel Joodse Amsterdammers woonden. E. de Goede Rijksbureau