Handgeschreven ambtelijke notitie op een voorgedrukt formulier ("Bijblad").
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie op een voorgedrukt formulier ("Bijblad"). 23 september 1942 (notitie), 22 september 1942 (doorgezonden). [Kader linksboven]
B I J B L A D V A N:
M. No. 30/66/1 1942
DOORGEZONDEN: 22/9
[Rechtsboven, in rood potlood]
30/66/1 –
[Hoofdtekst]
Tegen inwilliging van het ver=
zoek van J. Muller om zich op
zijn plaats op de markt aan Water=
looplein te mogen laten assis=
teeren door zijn dochter Rika
Muller, geb 7 febr. 1921,
bestaat m.i. geen bezwaar.
23-9-’42
de Haan
[Linksonder, gedrukt]
Alg. Zaken-Model No. 14
14333-1000-7-'41-1727 Dit document is een ambtelijk advies of besluit met betrekking tot een verzoek van een marktkoopman genaamd J. Muller. Hij verzoekt om toestemming om op zijn vaste standplaats op de markt aan het Waterlooplein in Amsterdam geassisteerd te worden door zijn dochter, Rika Muller.
De ambtenaar (mogelijk van de afdeling Algemene Zaken of Marktwezen), die ondertekent met 'de Haan', geeft aan dat er "mijns inziens" (m.i.) geen bezwaar bestaat tegen dit verzoek. De notitie bevat de specifieke geboortedatum van de dochter (7 februari 1921), wat suggereert dat haar identiteit en leeftijd (21 jaar op dat moment) relevant waren voor de vergunning. Het document dateert van september 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De locatie, het Waterlooplein, lag in het hart van de Jodenbuurt in Amsterdam.
Deze ogenschijnlijk triviale administratieve handeling krijgt een wrange lading wanneer men de historische achtergrond meeweegt. In deze periode werden Joodse Amsterdammers systematisch uitgesloten van het openbare leven en gedeporteerd. De markt op het Waterlooplein was van oudsher een plek met veel Joodse kooplieden.
Onderzoek in oorlogsarchieven (zoals het Joods Monument) bevestigt dat Jonas Muller en zijn dochter Hendrika (Rika) Muller inderdaad Joodse Amsterdammers waren die op het Waterlooplein werkten. Slechts enkele weken na dit schrijven, in oktober en december 1942, werden zij gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Dit document illustreert de "banaliteit van het kwaad": de ambtelijke molens draaiden gewoon door voor vergunningen en assistentieverzoeken, terwijl de ondergang van de betrokken personen al was ingezet. J. Muller M. No Marktwezen