Handgeschreven verzoekschrift aan de marktautoriteiten.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift aan de marktautoriteiten. 28 oktober 1942. M. Caransa, Korte Houtstraat 6 (huis), Amsterdam. [Rechtsboven, handgeschreven:]
242
v.d. m. [?]
[Hoofdtekst:]
A.dam. 28 October
Mijne Heren,
Hiermede verzoek ik u mij een
vaste plaats op de markt Waterloo
plein te geven. Daar ik mijn
plaats op de markt moest op ge-
ven toen ik naar 't kamp moest
Nu ben ik uit het kamp ont-
slagen wou dus weder een
vaste plaats op de markt terug
hebben voor de verkoop van
levensmiddelen.
Bij voorbaat mijn hartelijke
dank teeken ik met de meeste
hoogachting
M. Caransa
Korte houtstraat 6 huis
Amsterdam
[Onderaan, paarse stempel en aantekening:]
Nº 30/71/7 M. 1942 29/10
23/2 '42 ingetrokken wegens
wanbetaling.
[In de rechtermarge, verticaal geschreven:]
m.i. geen bezwaar
mits betaald wordt hetgeen
30-10-'42 de Markm. [Marktmeester] * Inhoud: De afzender, M. Caransa, verzoekt om teruggave van zijn vaste staanplaats op de markt aan het Waterlooplein. Hij verklaart dat hij zijn plaats moest opgeven omdat hij "naar 't kamp moest". Nu hij is ontslagen uit het kamp, wil hij zijn handel in levensmiddelen hervatten.
* Administratieve verwerking: De brief is op 29 oktober 1942 geregistreerd onder nummer 30/71/7. Een eerdere notitie onderaan vermeldt dat zijn vergunning op 23 februari 1942 was "ingetrokken wegens wanbetaling" – een veelgebruikt ambtelijk voorwendsel tijdens de bezetting om Joodse marktkooplieden hun rechten te ontnemen terwijl zij gedetineerd waren.
* Besluit: De marktmeester geeft op 30 oktober 1942 een positief advies ("geen bezwaar"), op voorwaarde dat de openstaande schulden worden voldaan. Dit document biedt een aangrijpend inzicht in de bureaucratische realiteit voor Joodse Amsterdammers tijdens de Duitse bezetting in 1942. De afzender is zeer waarschijnlijk Mauri Caransa (1916-2009), die later een bekende Amsterdamse vastgoedondernemer zou worden. In 1942 woonde hij inderdaad op de Korte Houtstraat 6, midden in de Joodse buurt.
De verwijzing naar "'t kamp" duidt in deze periode vaak op de gedwongen tewerkstelling in Joodse werkkampen in Nederland (de zogenaamde 'Werkverruiming'), waaruit in de herfst van 1942 sommigen nog tijdelijk werden vrijgelaten voordat de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen in het oosten volledige vormen aannamen. De brief toont de wanhopige poging van een burger om onder extreme omstandigheden zijn dagelijks bestaan weer op te pakken. M. Caransa