Administratief verslag/memo (pagina 3).
Origineel
Administratief verslag/memo (pagina 3). 1 april 1941. Bladz. 3
1 April 1941
37/15/8
den Heer Wethouder voor de
Amsterdam.
Levensmiddelen
E. De grossiers in bloemen bezetten plaatsen op het terrein ten Noorden van het entreegebouw; hoofdzakelijk des zomers verkoopen zij daar op drie dagen der week hun bloemen.
Vooropgesteld moet worden, dat de situatie op de Centrale Markt geheel anders ligt, dan op het Abattoir, waar, zooals U bekend zal zijn, kortgeleden een vrijwel absolute scheiding is ingevoerd tusschen het Joodsche en niet-Joodsche element. Op het Abattoir vindt sedert geruimen tijd geen normalen handel plaats, doch wordt het beschikbare slachtvee door een Commissie toegewezen; het abattoir dient voor het slachten van dieren en het verwerken van vleesch en vleeschafvallen. De Centrale Markt dient echter voor den groothandel en wel in aardappelen, groenten en fruit, welke normaal in groote verscheidenheid worden aangevoerd. Iedere handelaar (grossier) kan zich naar behoefte in de productiecentra van het land (in hoofdzaak op de veilingen) voorzien van alle producten, die daar worden aangeboden (met in acht neming van de ter zake gestelde maximumprijzen enz.); hij verkoopt zijn goederen op de Centrale Markt aan iederen kleinhandelaar, die daaraan behoefte heeft. Op dezelfde wijze verkoopen de tuinders hun zelf geteelde producten, terwijl de veiling de haar hoofdzakelijk door producenten in het land geconsigneerde producten aan den kleinhandel veilt.
Een scheiding, zooals die op het Abattoir is bewerkstelligd, acht ik voor de Centrale Markt niet aangewezen. Het zou dan namelijk, gezien de indeeling van het terrein, noodig zijn, dat de Joodsche grossiers op pier E zouden worden geplaatst (welk terrein, na afgerasterd te zijn een aparten toegang zou moeten krijgen aan de 2e Keucheniusstraat), waarbij naar mijn meening het plan om hen op het Noordelijk gedeelte van deze pier op open plaatsen te vestigen, de voorkeur zou verdienen boven het plan, om ook het pakhuis B bij dit terrein te trekken. In het laatste geval zouden namelijk 15 niet-Joodsche grossiers, die thans in pakhuis B zijn gevestigd, daaruit verdreven moeten worden. Zij zouden dan hun zaken op andere deelen der markt weder moeten trachten op te bouwen; bovendien zouden dan ± 100 "droge" tuinders moeten worden verplaatst. De nadeelen voor de gemeente (huurderving, rente, afschrijving en onderhoud van uit te voeren werken, kosten voor personeel in verband met bewaking toegang 2e Keucheniusstraat) schat ik in beide gevallen op globaal ƒ 25.000,- per jaar, aannemende, dat de Joodsche grossiers voor het grootste gedeelte op de markt zouden blijven gevestigd.
Een concentratie der Joodsche grossiers op pier E zou tot gevolg hebben, dat er in de plaatsen en pakhuizen in de hal en op de pieren hiaten zouden ontstaan, hetgeen voor verschillende niet-Joodsche zaken funeste gevolgen zou kunnen hebben; als gevolg van een en ander zou het langzaam gegroeide evenwicht op de Centrale Markt ernstig worden verbroken.
Bovendien moet met de waarschijnlijkheid rekening worden gehouden, dat de Joodsche grossiers (die in hoofdzaak georiënteerd zijn op den groothandel in fruit) zich buiten de Centrale Markt in pakhuizen zouden gaan vestigen en van daaruit zaken zouden gaan doen. Verschillende grossiers hebben reeds, naast hun bedrijf op de Centrale Markt, bedrijfsruimte elders. Dit document is een ambtelijk advies betreffende de doorvoering van de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter op de Amsterdamse Centrale Markt (de huidige Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat).
De kern van het document is een afweging van de praktische en financiële gevolgen van het fysiek scheiden van Joodse en niet-Joodse handelaren. De auteur vergelijkt de situatie met het Abattoir, waar een "vrijwel absolute scheiding" al was doorgevoerd. De toon is zakelijk en ambtelijk: de bezwaren tegen de segregatie zijn niet moreel van aard, maar praktisch en economisch (kosten voor de gemeente, verstoring van de marktbalans, mogelijke verplaatsing van handel naar buiten het marktterrein).
Het document toont aan hoe de lokale administratie in 1941 actief betrokken was bij het uitwerken van de logistieke details van de Holocaust in wording, in dit geval door de economische isolatie van Joodse ondernemers. In april 1941 was de Duitse bezetting van Nederland bijna een jaar onderweg. Na de Februaristaking (1941) werd het optreden tegen de Joodse bevolking in Amsterdam grimmiger en systematischer. De "Arierverklaring" was al getekend en Joodse bedrijven moesten worden aangemeld.
De Centrale Markthallen waren essentieel voor de voedselvoorziening van de stad. Door Joodse grossiers naar een afgezonderd deel (Pier E, bereikbaar via de 2e Keucheniusstraat) te verplaatsen, werd de eerste stap gezet naar hun volledige uitschakeling uit het economische leven. Veel van deze handelaren zouden later via de verordeningen van de bezetter hun zaken kwijtraken aan 'Verwalters' (beheerders) voordat zij gedeporteerd werden. De genoemde 2e Keucheniusstraat vormde de westelijke begrenzing van het marktterrein.