Ambtelijke brief (doorslag/kopie).
Origineel
Ambtelijke brief (doorslag/kopie). 30 mei 1942. De waarnemend (wnd.) Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt). De Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (waarschijnlijk Amsterdam, gezien de referentie naar de Centrale Markt). [Rechtsboven, handgeschreven potloodnotitie:] M. Küfler (?)
VD/HG.
37/52/1 M.
30 Mei 1942.
Ontheffing pakhuis-huur,
c.q. plaatshuur Joodsche
grossiers Centrale Markt.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
In bijlage dezes heb ik de eer U een opgave te doen
toekomen van Joodsche grossiers der Centrale Markt, voor wie
door de Wirtschaftsprüfstelle te Den Haag Treuhänder-liquida-
teurs zijn benoemd; deze Treuhänder hebben mij verzocht om
de huurverbintenissen van deze Joodsche handelaren met
ingang van 1 Juni 1942 te ontbinden, omdat de betreffende
zaken door hen dan zijn geliquideerd.
Ik moge U beleefd verzoeken te willen bevorderen,
dat de betreffende overeenkomsten met ingang van bovenge-
noemden datum door den Burgemeester worden ontbonden.
De Directeur,
wnd. Dit document is een administratieve neerslag van de actieve uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven tijdens de Duitse bezetting. De toon is strikt zakelijk en ambtelijk, wat de banaliteit van de vervolging onderstreept.
De kern van de brief is de opzegging van huurcontracten voor pakhuizen en standplaatsen van Joodse handelaren op de Centrale Markt. De aanleiding hiervoor is de "liquidatie" van hun zaken door de bezetter. Er wordt expliciet verwezen naar de Wirtschaftsprüfstelle in Den Haag, de Duitse instantie die verantwoordelijk was voor het onder beheer stellen en onteigenen van Joodse ondernemingen.
De brief toont aan hoe de gemeentelijke administratie (de directeur van de markt, de wethouder en uiteindelijk de burgemeester) fungeerde als een doorgeefluik voor de maatregelen van de bezetter. De "Treuhänder" (bewindvoerders/liquidateurs) die door de Duitsers waren aangesteld, verzochten de gemeente om de contracten te ontbinden, waarna de ambtelijke molen dit formeel bekrachtigde. De datum van de brief, 30 mei 1942, bevindt zich in een fase waarin de anti-Joodse maatregelen in Nederland in een stroomversnelling kwamen. Slechts enkele weken eerder, op 3 mei 1942, was de Jodenster verplicht gesteld.
De Centrale Markt (waarschijnlijk die in Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was een cruciaal knooppunt voor de voedselvoorziening. Joodse grossiers speelden hier traditioneel een grote rol. Door de instelling van de Wirtschaftsprüfstelle werden Joodse eigenaren uit hun eigen bedrijven gezet. De genoemde Treuhänder waren vaak Duitsers of collaborateurs die de winsten van de bedrijven naar de bezetter sluisden of de bedrijven simpelweg ophieven ("liquideerden").
Dit specifieke document illustreert de zogenaamde "Arisering" van de economie: het stelselmatig ontnemen van bezit en middelen van bestaan aan de Joodse bevolking, uitgevoerd via reguliere ambtelijke procedures. De ontheffing van huur per 1 juni 1942 markeert het punt waarop deze handelaren definitief hun fysieke plek op de markt en daarmee hun bestaansrecht in de handel verloren.