Dienstbrief / Administratieve correspondentie.
Origineel
Dienstbrief / Administratieve correspondentie. Directie van het Marktwezen, Amsterdam (gevestigd aan de Jan van Galenstraat 14). DIRECTIE VAN HET MARKTWEZEN
No 37/66/7 M Amsterdam
Jan van Galenstraat 14.
Aan
J.Wester.
Centrale Markt No D 7.
Amsterdam-West.
In bijlage dezes heb ik de eer U het geregistreerde huurcon-
tract betreffende een door U gehuurde pakhuisafdeeling op de Centrale
Markt te doen toekomen.
Ik verzoek U beleefd rekening te houden met het feit, dat, in-
gevolge het bepaalde in artikel 1619 van het Burgerlijk Wetboek repara-
tien, zooals van rolluiken, ruiten sloten, enz. voor Uw rekening zijn.
Tevens breng ik, voor zoover noodig, in herinnering, dat arti-
kel 8 van het contract verbiedt om reclamemiddelen of aankondigingen te
Uwen behoeve of ten behoeve van derden aan of op het gehuurde aan te
brengen, zonder mijn schriftelijke toestemming. U gelieve zich in alle ge-
vallen, waarin U tot het aanbrengen van eenig bord of andere aanduiding
wenscht over te gaan, vóóraf met mij te verstaan.
De Directeur,
[Handtekening] Deze brief is een formeel schrijven van de Directie van het Marktwezen in Amsterdam aan een huurder van een pakhuisruimte op de Centrale Markt. De brief dient als begeleidend schrijven bij het officieel geregistreerde huurcontract voor unit D 7.
De directie maakt van de gelegenheid gebruik om de huurder te wijzen op twee specifieke juridische en contractuele verplichtingen:
1. Onderhoud: Volgens artikel 1619 van het (toenmalige) Burgerlijk Wetboek komen kleine reparaties (zoals aan rolluiken en sloten) voor rekening van de huurder.
2. Reclame-uitingen: Op basis van artikel 8 van het huurcontract is het verboden om zonder schriftelijke toestemming borden of advertenties op het pand aan te brengen.
De toon is uiterst zakelijk en formeel ("heb ik de eer U", "vóóraf met mij te verstaan"), wat kenmerkend is voor de bestuurlijke taal van het midden van de 20e eeuw. De Centrale Markt in Amsterdam aan de Jan van Galenstraat werd geopend in 1934 als centraal punt voor de groothandel in levensmiddelen (voornamelijk groenten en fruit). Het terrein, tegenwoordig bekend als het Food Center Amsterdam, viel onder het beheer van de gemeentelijke Directie van het Marktwezen.
De verwijzing naar artikel 1619 van het Burgerlijk Wetboek (oud) bevestigt de destijds geldende wetgeving waarbij de huurder verantwoordelijk was voor 'geringe herstellingen'. De strenge regels omtrent reclame-uitingen waren bedoeld om het ordelijke en professionele aanzicht van de markthal en de bijbehorende pakhuizen te bewaren. De brief illustreert de strakke regie die de gemeente voerde over de exploitatie van dit cruciale handelscentrum.