Doorslag van een ambtelijke brief.
Origineel
Doorslag van een ambtelijke brief. 2 september 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Marktwezen). Den Heer L. Boers, Bewindvoerder van den gewezen grossier M. van Loggem. [Linksboven:]
37/84/4 M.
[Rechtsboven:]
H Meijer [in rode inkt/potlood]
M/HB.
den Heer L. Boers,
Bewindvoerder van den gewezen grossier
M. van Loggem,
Centrale Markt, pakhuis B 3. [handgeschreven toevoeging]
A l h i e r.
2 September 1942.
In aansluiting op de missive van den Burgemeester van 18 Au-
gustus 1942 No. 697 L.M., deel ik U mede, dat M. van Loggem aan mijn
dienst verschuldigd is de pakhui shuur van pakhuis E.8 op de Centrale
Markt over de maanden Juni en Juli 1942, samen bedragende: f 133,34 [onderstreept]
Ik verzoek U beleefd mij schriftelijk te willen mededeelen of
U van bovengenoemden grossier gelden in beheer heeft, waarvan deze
schuld aan mijn dienst kan worden voldaan.
De Directeur, Deze brief is een zakelijke vordering van een Amsterdamse gemeentelijke dienst aan een bewindvoerder. De kern van de zaak is een schuld van 133,34 gulden aan pakhuishuur voor de maanden juni en juli 1942. Opvallend is de terminologie: M. van Loggem wordt aangeduid als "gewezen grossier". Dit wijst erop dat hij zijn bedrijf niet langer zelfstandig uitoefent. De aanwezigheid van een "bewindvoerder" (L. Boers) is hierbij de cruciale factor. De directeur vraagt of er nog liquide middelen in de boedel zitten om deze specifieke schuld aan de gemeente te voldoen. Het document dateert uit september 1942, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De context is die van de 'arisering' en liquidatie van Joodse bedrijven. Mozes van Loggem was een Joodse koopman op de Centrale Markt in Amsterdam. Onder nazi-verordeningen werden Joodse ondernemers uit hun functies gezet en werden hun bedrijven onder het beheer van een 'Verwalter' of bewindvoerder geplaatst, met als doel de onteigening of liquidatie van het bezit.
De brief illustreert de bureaucratische afhandeling van de bezittingen van vervolgde burgers. Terwijl de deportaties in volle gang waren (de grootschalige transporten uit Amsterdam waren in de zomer van 1942 begonnen), hield de gemeentelijke administratie zich strikt bezig met het innen van openstaande schulden, zoals pakhuishuur, bij de door de bezetter aangestelde bewindvoerders. De verwijzing naar de "missive van den Burgemeester" (destijds de pro-Duitse Edward Voûte) suggereert een gecoördineerde aanpak tussen de centrale stadsholding en de verschillende diensten wat betreft Joods vastgoed en huurcontracten.