Handgeschreven ambtelijke notitie op een dossierstuk of systeemkaart.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie op een dossierstuk of systeemkaart. 28 juli 1942 (datumstempel). Irma B. Polak
plaats in de kal. kalender jaar 1942
no 27.
f 500 -
voorstel maken tot kwijtschelding
van f 250 - krachtens art 10. [Paraaf]
en op gronden van billijkheid. (liquidatie
van joodsche grossiers.)
[In rood:] M. i. accoord
[In rood:] zie boven [Paraaf/Symbool]
[Datumstempel:] 28 JULI 1942
[Paraaf in zwarte inkt:] P. De notitie betreft de administratieve afhandeling van een financiële post (mogelijk een belasting, heffing of boete) van 500 gulden op naam van Irma B. Polak. Er wordt een formeel voorstel gedaan om de helft van dit bedrag (250 gulden) kwijt te schelden. De juridische basis hiervoor is "artikel 10" (vermoedelijk van een specifieke bezettingsverordening) en subjectieve "gronden van billijkheid". Cruciaal is de expliciete vermelding van de "liquidatie van joodsche grossiers", wat het document direct linkt aan de economische uitsluiting en onteigening van Joden tijdens de bezetting. De rode aantekening "M. i. accoord" (Mijns inziens akkoord) geeft de goedkeuring van een toezichthoudend ambtenaar aan. Dit document is een direct bewijsstuk van de bureaucratische machine achter de 'arisering' en liquidatie van Joodse bedrijven in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1940 voerden de Duitse bezetters stapsgewijs maatregelen in om Joodse ondernemers uit het economische leven te bannen. Bedrijven werden geregistreerd, onder toezicht van een 'Verwalter' geplaatst en vervolgens vaak geliquideerd. De term "joodsche grossiers" verwijst naar groothandelaren die het doelwit waren van deze systematische roof. Het gebruik van termen als "billijkheid" in een dergelijk document onderstreept de kille, ogenschijnlijk legale wijze waarop de vernietiging van de Joodse bestaansmiddelen werd uitgevoerd. Irma B. Polak was vermoedelijk de eigenaresse of vennoot van een dergelijke groothandel die in de zomer van 1942 werd ontmanteld. B. Polak
Samenvatting
De notitie betreft de administratieve afhandeling van een financiële post (mogelijk een belasting, heffing of boete) van 500 gulden op naam van Irma B. Polak. Er wordt een formeel voorstel gedaan om de helft van dit bedrag (250 gulden) kwijt te schelden. De juridische basis hiervoor is "artikel 10" (vermoedelijk van een specifieke bezettingsverordening) en subjectieve "gronden van billijkheid". Cruciaal is de expliciete vermelding van de "liquidatie van joodsche grossiers", wat het document direct linkt aan de economische uitsluiting en onteigening van Joden tijdens de bezetting. De rode aantekening "M. i. accoord" (Mijns inziens akkoord) geeft de goedkeuring van een toezichthoudend ambtenaar aan.
Historische Context
Dit document is een direct bewijsstuk van de bureaucratische machine achter de 'arisering' en liquidatie van Joodse bedrijven in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1940 voerden de Duitse bezetters stapsgewijs maatregelen in om Joodse ondernemers uit het economische leven te bannen. Bedrijven werden geregistreerd, onder toezicht van een 'Verwalter' geplaatst en vervolgens vaak geliquideerd. De term "joodsche grossiers" verwijst naar groothandelaren die het doelwit waren van deze systematische roof. Het gebruik van termen als "billijkheid" in een dergelijk document onderstreept de kille, ogenschijnlijk legale wijze waarop de vernietiging van de Joodse bestaansmiddelen werd uitgevoerd. Irma B. Polak was vermoedelijk de eigenaresse of vennoot van een dergelijke groothandel die in de zomer van 1942 werd ontmanteld.