Getypte brief (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte brief (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen. 17 juni 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst of een vergelijkbare gemeentelijke dienst). [Handgeschreven bovenin:] Verzonden 17/6 [Handgeschreven rechtsboven:] M. Muller
VB/HB.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
39/23/9 m. 17 Juni 1942.
restitutie standplaats-
gelden Joodsche standplaats-
houders.
Bij mijn dienst zijn verschillende verzoeken binnen gekomen, van Joodsche standplaatshouders, wier vergunningen per 13 Januari j.l. door den Burgemeester werden ingetrokken, om hen restitutie te verleenen van reeds door hen vooruitbetaald standplaatsgeld. Op gronden van billijkheid ware mijns inziens aan deze verzoeken te voldoen.
Ik moge U mitsdien verzoeken wel te willen bevorderen, dat ik bij besluit van den Burgemeester word gemachtigd, krachtens het bepaalde in artikel 36 van de Verordening op de Heffing van markt-, standplaats-en ventgelden, op gronden van billijkheid, restitutie van standplaatsgeld te verleenen aan Joodsche standplaatshouders, die het verschuldigde standplaatsgeld bij vooruitbetaling hadden voldaan of te veel hebben betaald en wier vergunningen per 13 Januari j.l. werden ingetrokken.
De Directeur, In deze brief verzoekt de directeur van een gemeentelijke dienst aan de wethouder om toestemming voor het terugbetalen (restitueren) van marktgelden aan Joodse kooplieden. Omdat hun vergunningen op 13 januari 1942 door de burgemeester waren ingetrokken als onderdeel van de anti-Joodse maatregelen van de bezetter, konden zij geen gebruik meer maken van hun standplaatsen.
De directeur voert "gronden van billijkheid" aan: het is onrechtvaardig om geld te behouden voor een dienst (de standplaats) die de gemeente zelf onmogelijk heeft gemaakt. Hij beroept zich op artikel 36 van de geldende marktverordening om deze administratieve afhandeling juridisch te onderbouwen. Dit document is een direct gevolg van de uitsluiting van Joden uit het openbare leven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In januari 1942 werden Joodse marktkooplieden van de reguliere markten verbannen. Dit leidde tot de oprichting van aparte "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein in Amsterdam), maar betekende voor velen het einde van hun nering op hun oorspronkelijke plek.
De brief toont de bureaucratische realiteit van de vervolging: terwijl de Joodse bevolking systematisch hun rechten en bezittingen werden ontnomen, hield de lokale administratie zich nog bezig met de "billijke" afhandeling van vooruitbetaalde marktgelden. Het is een voorbeeld van hoe de formele rechtsstaat en de discriminerende bezettingswetgeving in deze periode met elkaar verweven raakten. M. Muller