Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van de Burgemeester van Amsterdam. 25 april 1942. [Linksboven, handgeschreven:] 39/65/32
[Gedrukt:] Afschrift
[Doorgehaald getal:] 223
No. L. M. 194 2.
[Midden boven, handgeschreven:] 204/5
[Wapen van de stad Amsterdam]
[Rechtsboven, handgeschreven:] HMuller
[Rechtsboven, handgeschreven initialen:] MW
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan
Kaatje de Jong-Ensel,
geboren 16 Januari 1892, wonende Retiefstraat 107 II, bij beschik-
king d.d. 17 December 1941, No.5/331 L.M.1941 verleende vergun-
ning tot het innemen van een vaste standplaats ten verkoop van
haring, zuurwaren, gerookte en gebakken visch op den openbaren weg
het [doorgehaald:] verhoogde middengedeelte van het Krugerplein, tegenover per-
ceel Krugerplein 6, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari
1942, in te trekken.
VW
Amsterdam, 25 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte [paars stempel]
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN [paars stempel]
[Linksonder:] K 350 Dit document is een formele kennisgeving van de gemeente Amsterdam waarin een eerder verleende vergunning voor een viskraam wordt ingetrokken.
De vergunninghouder is Kaatje de Jong-Ensel. De vergunning was nog maar kort daarvoor verleend (december 1941) voor een standplaats op het Krugerplein, waar zij haring en andere viswaren mocht verkopen. Opvallend is dat de intrekking op 25 april 1942 wordt gedateerd, maar met terugwerkende kracht is ingegaan op 13 januari 1942.
Het document is ondertekend (per stempel) door Edward Voûte, de door de Duitse bezetter aangestelde burgemeester van Amsterdam. De zakelijke, bureaucratische toon maskeert de grimmige realiteit van de periode waarin dit besluit viel. Dit document moet worden gezien in het licht van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Kaatje de Jong-Ensel was van Joodse afkomst. De Retiefstraat en het Krugerplein bevinden zich in de Transvaalbuurt, een wijk waar in 1942 zeer veel Joodse Amsterdammers woonden.
Vanaf begin 1942 intensiveerde de bezetter, met medewerking van het collaborerende Amsterdamse stadsbestuur onder Voûte, het proces van economische uitsluiting van Joden. Door het intrekken van vergunningen voor marktkramen en standplaatsen werden Joodse ondernemers van hun middelen van bestaan beroofd.
De datum van de intrekking (met terugwerkende kracht naar januari 1942) valt samen met de periode waarin de eerste stappen werden gezet naar de totale segregatie en uiteindelijke deportatie van de Joodse bevolking. Historische bronnen bevestigen dat Kaatje de Jong-Ensel later dat jaar, in september 1942, in Auschwitz is vermoord. Dit document vormt een tastbaar bewijs van de administratieve onteigening die aan haar fysieke wegvoering voorafging. E.J. Vo J.F. Franken Gemeente Amsterdam