Getypt afschrift van een brief.
Origineel
Getypt afschrift van een brief. 4 januari 1942. A. Veldman, mosselenventer, wonende aan de Albert Cuypstraat 203, Amsterdam-Zuid. No.46A/1/3 M.1942 10/1 AFSCHRIFT.
No.109 L.M.1942.
Amsterdam, 4 Jan.1942.
Weledele Heer,
Met dezes ben ik zoo vrij mijn grieven te richten tot U, in 't belang natuurlijk van mij zelf en zoovele andere menschen, betreffende over de handel en speciaal over de verdeling aan de vischmarkt van mosselen. Van beroep ben ik mosselenventer.
Nu is de verdeling van mosselen aldaar een groot onrecht. Om dan verder te gaan zit daar een mosselcommissie, die als 't ware onder leiding staat van een jodenman Presser genaamd. Nu worden deze mosselen zoo verdeeld, dat vrienden en kennissen van deze personen genieten altijd de voorkeur. Dus als er weinig mosselen aangevoerd worden gaan deze eerst allemaal voor en blijft er dan nog iets over, dan komen de anderen aan de beurt. En zoo komt het dan veelvuldig voor, dat wij één of twee keer in de week handel hebben en daar kunnen wij dan natuurlijk niet van bestaan. Dan zit er in genoemde Commissie ook nog iemand van de Nieuwe Orde ééne M.Gootjes genaamd. En deze werkt samen in de verdeling met de Jood Presser. Is hier nu geen verandering in te brengen, zoodat deze mosselen eerlijk worden verdeeld. Want waarom de éne venter allles en de ander niets. Want wat hier geschied is geen opbouw, maar afbraak. Hopende, langs dezen weg, dat er spoedig verandering in mag komen, verblijf ik,
Hoogachtend,
uw dw.dn.
w.g.A.Veldman,
Alb.Cuypstraat 203,
Amsterdam-Zuid.
P.S.
Ik ben evenals alle mosselventers in het bezit van een toewijzing voor mosselen door bovengenoemde Commissie uitgereikt. In dit document beklaagt A. Veldman, een mosselventer uit de Albert Cuypstraat, zich over de vermeende onrechtvaardige distributie van mosselen op de Amsterdamse vismarkt. De kern van zijn klacht is dat een "mosselcommissie" de schaarse handelstier toewijst op basis van vriendjespolitiek in plaats van een eerlijke verdeling.
De schrijver maakt gebruik van de antisemitische tijdgeest door de nadruk te leggen op de Joodse achtergrond van commissielid Presser. Hij probeert de autoriteiten te prikkelen door te wijzen op een (in zijn ogen) schandelijke samenwerking tussen een Jood en een aanhanger van de "Nieuwe Orde" (waarschijnlijk een NSB-lid of sympathisant). De terminologie ("jodenman", "geen opbouw maar afbraak") is typerend voor de collaboratieretoriek van die tijd, ingezet om eigen economisch gewin of rechtvaardigheid af te dwingen. De brief dateert uit januari 1942, een periode waarin de Duitse bezetting van Nederland ruim anderhalf jaar gaande was. De schaarste aan goederen en voedsel nam hand over hand toe, waardoor distributieregelingen en commissies cruciaal werden voor het levensonderhoud van kleine ondernemers zoals straatventers.
Tegelijkertijd was de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven in volle gang. In deze context werden klachten over "Joodse invloed" vaak gebruikt als pressiemiddel bij de bezetter of de gelijkgeschakelde Nederlandse instanties. Het document illustreert hoe gewone burgers de ideologie van de bezetter probeerden te gebruiken in hun dagelijkse overlevingsstrijd en onderlinge conflicten. De Albert Cuypstraat, de woonplaats van de afzender, was destijds (en is nog steeds) een hart van de Amsterdamse markthandel. A. Veldman P.S. NSB