Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 30 december 1941. J. Brilleslijper, Retiefstraat 90, Amsterdam-Oost. [Linksboven, diagonaal:] Inschrijven
[Linksboven:] 20 kg f:
[Rechtsboven:] A’dam 30. Dec. 1941.
[Stempel:] Nº 46A/6/1 M. 1942
Aan den Heer ter Haar
Weledele Heer,
Naar aanleiding van het afwijzend schrijven
van marktwezen d.d. 17 December 1941 waarin mij geen
toewijzing van zoetwatervisch toegekend werd neemt Ondergetekende
J Brilleslijper, Retiefstraat 90 A’dam nogmaals de vrijheid
U te verzoeken in welwillende overweging te nemen
of het alsnog niet mogelijk zou zijn dat hij hiervoor
wel in aanmerking zou komen.
Hij heeft veel riviervisch verkocht, maar doordat hij zeer
doof is, kon hij nooit in de hal zijn visch koopen en daarom
komt hij niet in de boeken voor.
Hopende dat het bovenstaande U alsnog aanleiding
mag geven hem een toewijzing te geven.
Met de meeste hoogachting
J Brilleslijper
Retiefstraat 90
A’dam O In deze brief protesteert de heer J. Brilleslijper tegen een eerdere afwijzing (gedateerd 17 december 1941) van zijn aanvraag voor een toewijzing van zoetwatervis. De kern van het probleem is dat Brilleslijper niet officieel geregistreerd staat in de inkoopboeken van de centrale markthal.
Hij voert hiervoor een medische reden aan: hij is "zeer doof". Vanwege deze handicap was hij niet in staat om op de traditionele manier (waarschijnlijk via de roepveiling in de hal) zijn vis in te kopen. Hij stelt echter wel degelijk een ervaren handelaar te zijn die in het verleden veel "riviervisch" heeft verkocht. De notitie "20 kg" linksboven suggereert dat er naar aanleiding van deze brief mogelijk een kleine toewijzing is overwogen of toegekend. Het document dateert uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de distributie van voedsel en handelswaren strikt gereguleerd via een systeem van vergunningen en toewijzingen.
De brief heeft een tragische ondertoon wanneer men kijkt naar de afzender en locatie. De Retiefstraat 90 lag in de Transvaalbuurt, een Joodse wijk in Amsterdam-Oost. De achternaam Brilleslijper is een bekende Joodse naam in Amsterdam. In 1941 werden Joodse marktkooplieden en handelaren steeds vaster in het nauw gedreven door anti-Joodse maatregelen (zoals de uitsluiting van openbare markten). Het feit dat hij geen "toewijzing" kreeg, betekende in die tijd feitelijk een beroepsverbod en daarmee het verlies van zijn bestaansmiddelen. De brief is een wanhopige poging om via een beroep op de "welwillendheid" van de bureaucratie alsnog legaal te mogen blijven handelen. J. Brilleslijper Marktwezen
Samenvatting
In deze brief protesteert de heer J. Brilleslijper tegen een eerdere afwijzing (gedateerd 17 december 1941) van zijn aanvraag voor een toewijzing van zoetwatervis. De kern van het probleem is dat Brilleslijper niet officieel geregistreerd staat in de inkoopboeken van de centrale markthal.
Hij voert hiervoor een medische reden aan: hij is "zeer doof". Vanwege deze handicap was hij niet in staat om op de traditionele manier (waarschijnlijk via de roepveiling in de hal) zijn vis in te kopen. Hij stelt echter wel degelijk een ervaren handelaar te zijn die in het verleden veel "riviervisch" heeft verkocht. De notitie "20 kg" linksboven suggereert dat er naar aanleiding van deze brief mogelijk een kleine toewijzing is overwogen of toegekend.
Historische Context
Het document dateert uit december 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de distributie van voedsel en handelswaren strikt gereguleerd via een systeem van vergunningen en toewijzingen.
De brief heeft een tragische ondertoon wanneer men kijkt naar de afzender en locatie. De Retiefstraat 90 lag in de Transvaalbuurt, een Joodse wijk in Amsterdam-Oost. De achternaam Brilleslijper is een bekende Joodse naam in Amsterdam. In 1941 werden Joodse marktkooplieden en handelaren steeds vaster in het nauw gedreven door anti-Joodse maatregelen (zoals de uitsluiting van openbare markten). Het feit dat hij geen "toewijzing" kreeg, betekende in die tijd feitelijk een beroepsverbod en daarmee het verlies van zijn bestaansmiddelen. De brief is een wanhopige poging om via een beroep op de "welwillendheid" van de bureaucratie alsnog legaal te mogen blijven handelen.