Doorslag van een officiële zakelijke brief (mogelijk een dossierkopie).
Origineel
Doorslag van een officiële zakelijke brief (mogelijk een dossierkopie). 13 januari 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Visscherijcentrale). Den Heer L. Vrachtdoender, Blasiusstraat 109 I, Amsterdam-Oost. [Handgeschreven in blauw potlood/inkt:] verzonden 14/1
[Rechtsboven:] HG.
[Rechts uitgelijnd:]
den Heer L.Vrachtdoender,
Blasiusstraat 109 I,
Amsterdam-Oost.
Wijk 11.
46A/8/16 M. [Midden/Rechts:] 13 Januari 1942.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 6 dezer deel ik U mede dat na behandeling van Uw verzoek in de door de Visscherijcentrale ingestelde Commissie is gebleken, dat er geen aanleiding bestaat aan Uw verzoek te voldoen.
[Rechts uitgelijnd:]
De Directeur, * Inhoud: De brief is een formele afwijzing van een verzoek dat op 6 januari 1942 was ingediend door de heer L. Vrachtdoender. Het verzoek is behandeld door een commissie binnen de "Visscherijcentrale", die heeft geoordeeld dat er geen reden is om het verzoek in te willigen. De aard van het verzoek wordt niet gespecificeerd, maar de betrokkenheid van de Visscherijcentrale suggereert een kwestie gerelateerd aan visserij, voedselvoorziening of bedrijfsvoering in die sector.
* Administratieve sporen: De handgeschreven aantekening "verzonden 14/1" geeft aan dat de brief een dag na de datering daadwerkelijk is gepost. De aanduiding "Wijk 11" bij het adres verwijst naar de toenmalige administratieve indeling van Amsterdam.
* Toon: De toon is uiterst zakelijk, kortaf en bureaucratisch, wat kenmerkend is voor officiële correspondentie uit deze periode. * Historische periode: Januari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de schaarste groot en stond de economie onder streng toezicht van de bezetter en collaborerende instanties.
* Visscherijcentrale: Dit was een overheidsorgaan (of semi-overheidsorgaan) dat tijdens de oorlog de controle uitoefende op de visserijsector, inclusief de distributie van vis en de toewijzing van vergunningen of middelen.
* Biografische context: De geadresseerde, Leo Vrachtdoender (wonende op Blasiusstraat 109 I), was een Joodse Amsterdammer. Archiefonderzoek (zoals bij het Joods Monument) wijst uit dat hij later in 1942 is gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. In de context van de anti-Joodse maatregelen in 1942 is het zeer waarschijnlijk dat zijn verzoek te maken had met het behoud van werk, een vergunning of een uitzonderingspositie die door de bureaucratie van de bezettingstijd werd afgewezen. L. Vrachtdoender
Samenvatting
- Inhoud: De brief is een formele afwijzing van een verzoek dat op 6 januari 1942 was ingediend door de heer L. Vrachtdoender. Het verzoek is behandeld door een commissie binnen de "Visscherijcentrale", die heeft geoordeeld dat er geen reden is om het verzoek in te willigen. De aard van het verzoek wordt niet gespecificeerd, maar de betrokkenheid van de Visscherijcentrale suggereert een kwestie gerelateerd aan visserij, voedselvoorziening of bedrijfsvoering in die sector.
- Administratieve sporen: De handgeschreven aantekening "verzonden 14/1" geeft aan dat de brief een dag na de datering daadwerkelijk is gepost. De aanduiding "Wijk 11" bij het adres verwijst naar de toenmalige administratieve indeling van Amsterdam.
- Toon: De toon is uiterst zakelijk, kortaf en bureaucratisch, wat kenmerkend is voor officiële correspondentie uit deze periode.
Historische Context
- Historische periode: Januari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de schaarste groot en stond de economie onder streng toezicht van de bezetter en collaborerende instanties.
- Visscherijcentrale: Dit was een overheidsorgaan (of semi-overheidsorgaan) dat tijdens de oorlog de controle uitoefende op de visserijsector, inclusief de distributie van vis en de toewijzing van vergunningen of middelen.
- Biografische context: De geadresseerde, Leo Vrachtdoender (wonende op Blasiusstraat 109 I), was een Joodse Amsterdammer. Archiefonderzoek (zoals bij het Joods Monument) wijst uit dat hij later in 1942 is gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. In de context van de anti-Joodse maatregelen in 1942 is het zeer waarschijnlijk dat zijn verzoek te maken had met het behoud van werk, een vergunning of een uitzonderingspositie die door de bureaucratie van de bezettingstijd werd afgewezen.