Handgeschreven conceptbrief/ambtelijke notitie met uitgebreide doorstrepingen en correcties.
Origineel
Handgeschreven conceptbrief/ambtelijke notitie met uitgebreide doorstrepingen en correcties. 22 november 1935. A’dam, 22 November 1935.
W.R.M.
Ingevolge de machtiging vervat in Uw missive d.d. 22 October jl (Afd. Publ/1935 No. 1121) heb ik in een op 18 dezer gehouden vergadering met de Commissie van Advies voor de markten andermaal het verbod van schoenreparatie op de markten aan de orde gesteld. De vertegenwoordigers van de organisaties van marktkooplieden en venters in deze Commissie handhaafden hun standpunt, waarvan ik reeds in mijn rapport d.d. 18 Februari 1935 (no. 20/15 M) mededeeling heb gedaan, nml. dat zij tegenover het bedoelde verbod volstrekt afwijzend staan.
(In de linkermarge:)
1 zulks met uitzondering van den vertegenwoordiger van den Algemeenen Ventersbond, die geen leden onder de marktkooplieden heeft en die het belang der schoenmakers in dit geval boven dat der marktkooplieden wil stellen. Naar mijn meening is dit laatste standpunt reeds daarom onhoudbaar, omdat door de nopjes-rubber niet alleen de marktkooplieden worden gebaat, maar vooral ook de werklozen, die thans tegen zeer geringe kosten hun schoen kunnen laten repareeren, terwijl de schoenmakers de duurzamere nopjes-rubber in het algemeen niet willen toepassen!
(Vervolg hoofdtekst:)
Ik deel de zienswijze van de groote meerderheid der Commissie dat het onderhavige verbod behoort te worden afgeschaft.
Het betreft in hoofdzaak acht kooplieden, waarvan sommigen sedert vele jaren rubberzolen en -hakken op de markten plagen te verkoopen. Deze kooplieden stellen zich steeds tot doel, alleen om den klant te gerieven, wordt op diens verzoek de zool of hak onder de schoen bevestigd; daardoor krijgt de koopman tevens de gelegenheid om te demonstreeren, hetgeen voor den verkoop onmisbaar is. Demonstratie op door den koopman meegebrachte, onbruikbaar gemaakte schoenen (zooals de Commissie voor Schoeisel dit verlangt) mist niet alleen elke suggestieve kracht; zij is ook te duur voor den koopman die een opgeplakte zool van ± f 0,05 geen tweeden keer kan gebruiken.
Ik mag tenslotte in herinnering brengen, dat tot invoering van het onderhavige verbod is besloten tegen mijn advies en dat zich thans alle moeilijkheden voordoen, die ik heb voorspeld: de kooplieden worden gedupeerd; zij huren een ruimte in de omgeving der markt, waar het opplakken der zolen plaatsvindt; (...)
--- Dit document is een ambtelijk concept waarin een scherp pleidooi wordt gevoerd tegen een verbod op schoenreparaties (het opplakken van rubberzolen) door marktkooplieden. De tekst bevat veel redactionele wijzigingen, wat wijst op de politieke gevoeligheid van het dossier.
Kernpunten van het betoog:
1. Sociale argumentatie: De auteur benadrukt dat het verbod nadelig is voor werklozen, die door de marktkooplieden goedkoop geholpen worden met "nopjes-rubber".
2. Economische noodzaak: Voor de koopman is de directe handeling (het plakken van de zool) essentieel als verkoopdemonstratie. Zonder deze demonstratie op schoenen van klanten is de verkoop niet effectief.
3. Ontwijking: Het verbod werkt niet in de praktijk; kooplieden huren nu ruimtes net buiten de markt om de reparaties alsnog uit te voeren.
4. Belangenconflict: Er is sprake van een conflict tussen de marktkooplieden en de gevestigde schoenmakers (vertegenwoordigd door de Ventersbond), waarbij de auteur partij kiest voor de marktkooplieden en het publiek belang.
--- De brief is geschreven in november 1935, midden in de Grote Depressie. De werkloosheid in Nederland was historisch hoog. Voor veel mensen was een professionele schoenmaker te duur. De opkomst van goedkope rubberen plakzolen (vaak van het merk 'Nopjes') bood een uitkomst voor de armere bevolking.
De gevestigde orde van ambachtelijke schoenmakers zag dit als oneerlijke concurrentie en probeerde via verordeningen het 'beunen' op de markt tegen te gaan. De schrijver van dit document (vermoedelijk de Marktmeester of een inspecteur van de gemeente Amsterdam) waarschuwt dat dit verbod de armsten raakt en de marktkooplieden onnodig dwarsboomt, terwijl het doel (bescherming van de schoenmaker) niet wordt bereikt.