Ambtelijke correspondentie / adviesbrief.
Origineel
Ambtelijke correspondentie / adviesbrief. 10 mei 1944. De Directeur (dienst onbekend, waarschijnlijk Marktwezen of Openbare Orde). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam (gezien de verwijzing naar het Waterlooplein). [Handgeschreven aantekening rechtsboven: Evda]
20/24/3M. 10 Mei 1944. vD/SV
Den Heer Wethouder
/ voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
=============
Onder terugzending van het met Uw
kantbrief d.d. 24 Maart jl. om advies ont-
vangen stuk no.23/3 L.M. 1944 heb ik de eer
U te berichten, dat adressant dezerzijds
eenige malen is opgeroepen, waaraan hij ten
slotte de vorige week heeft voldaan.
Adressant is nimmer als marktkoop-
man werkzaam geweest; hij was straatmuzikant,
doch mag sinds ± 1½ jaar dit beroep op straat
niet meer uitoefenen. Hij wil nu een plaats
bezetten met distributie vrije artikelen op
het Waterlooplein.
Op grond van de omstandigheid, dat
Wijnoord nimmer het bedrijf van marktkoop-
man heeft uitgeoefend, geef ik U in over-
weging op het onderhavige verzoek afwijzend
te beschikken.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk negatief advies over een vergunningsaanvraag. Een burger, genaamd Wijnoord, heeft verzocht om een marktplaats op het Waterlooplein in Amsterdam om "distributievrije artikelen" (goederen waarvoor geen distributiebonnen nodig waren) te verkopen.
De Directeur adviseert de Wethouder om dit verzoek af te wijzen. De voornaamste reden is een gebrek aan ervaring: Wijnoord is van oorsprong straatmuzikant en geen marktkoopman. Het document onthult dat hij zijn beroep als straatmuzikant al anderhalf jaar niet meer mag uitoefenen, wat wijst op de strikte regulering (of verboden) van straatentertainment tijdens de bezettingsjaren. De bureaucratische toon is formeel en onverbiddelijk, ondanks de waarschijnlijk benarde economische situatie van de aanvrager. De datum, 10 mei 1944, is exact vier jaar na de Duitse inval in Nederland. Amsterdam bevindt zich in een diepe crisis door de bezetting. Het Waterlooplein, vanouds het hart van de Joodse buurt en de bijbehorende markt, was in 1944 nagenoeg leeg of drastisch veranderd door de deportaties van de Joodse bevolking in de jaren daarvoor.
Dat een voormalig straatmuzikant probeert over te stappen naar de handel in "distributievrije artikelen" is tekenend voor de overlevingsstrategieën van die tijd. Straatmuziek werd door de bezetter en de Kultuurkamer streng gecontroleerd en vaak verboden. De weigering van de gemeente op basis van "geen eerdere ervaring" toont aan dat het ambtelijk apparaat, zelfs onder de extreme omstandigheden van de oorlog, bleef vasthouden aan rigide regels voor marktvergunningen.