Handgeschreven brief/notitie op een briefkaart.
Origineel
Handgeschreven brief/notitie op een briefkaart. Dinsdag 28 maart 1944. P. J. Vlietman. Waarschijnlijk een gemeentelijke instantie of de administratie van het marktwezen ("Mijnheer"). Dinsdag 28/3 44
Mijnheer
antwoord op u schrijven
van 24 Maart
dat ik nog schuld
heb aan het markt
wezen.
Mijnheer dat is een
abus ik heb mijn
plaats van de westerstraat
en mijn plaats in de
godenkoek in een
week op gezegd
in het begin van de
oorlog dus wilt zoo
goed zijn om dat eens
goed na te gaan
Hoog achtent
P J Vlietman De brief is een formele reactie van P.J. Vlietman op een vordering van het "marktwezen". De kern van het bericht is een betwisting van een vermeende schuld.
* Inhoud: Vlietman reageert op een brief van 24 maart waarin gesteld wordt dat hij nog marktgelden verschuldigd is. Hij noemt dit een "abus" (vergissing).
* Argumentatie: Hij stelt dat hij zijn standplaatsen in de "Westerstraat" en de "godenkoek" (mogelijk een lokale benaming voor een markthoek of verbastering van Goudenregenstraat/-hoek) al aan het begin van de oorlog (mei 1940) heeft opgezegd.
* Verzoek: Hij vraagt de ontvanger om de administratie nogmaals goed te controleren ("goed na te gaan"). Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1944). Het werpt licht op de bureaucratische processen en de economische realiteit van die tijd. Veel marktkraamhouders moesten hun activiteiten staken als gevolg van de oorlogsomstandigheden, schaarste of persoonlijke redenen. Het feit dat er vier jaar na dato nog correspondentie plaatsvindt over een opzegging uit het begin van de oorlog, duidt op ofwel een administratieve achterstand bij de gemeente, of een langlopend geschil over achterstallige betalingen in een tijd van grote onzekerheid. J. Vlietman P.J. Vlietman Marktwezen
Samenvatting
De brief is een formele reactie van P.J. Vlietman op een vordering van het "marktwezen". De kern van het bericht is een betwisting van een vermeende schuld.
* Inhoud: Vlietman reageert op een brief van 24 maart waarin gesteld wordt dat hij nog marktgelden verschuldigd is. Hij noemt dit een "abus" (vergissing).
* Argumentatie: Hij stelt dat hij zijn standplaatsen in de "Westerstraat" en de "godenkoek" (mogelijk een lokale benaming voor een markthoek of verbastering van Goudenregenstraat/-hoek) al aan het begin van de oorlog (mei 1940) heeft opgezegd.
* Verzoek: Hij vraagt de ontvanger om de administratie nogmaals goed te controleren ("goed na te gaan").
Historische Context
Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1944). Het werpt licht op de bureaucratische processen en de economische realiteit van die tijd. Veel marktkraamhouders moesten hun activiteiten staken als gevolg van de oorlogsomstandigheden, schaarste of persoonlijke redenen. Het feit dat er vier jaar na dato nog correspondentie plaatsvindt over een opzegging uit het begin van de oorlog, duidt op ofwel een administratieve achterstand bij de gemeente, of een langlopend geschil over achterstallige betalingen in een tijd van grote onzekerheid.