Handgeschreven brief (verweerschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verweerschrift). 16 augustus 1939. H. Veldhuis. H. Veldhuis - H. v. d. Horst laken
rum
10/2765 16-8-'39
№ 37/172/M. 339 22/8
Mijnheer.
Het is mij onmogelijk om smorgens
naar u toe te komen aangezien
ik alleen voor mijn werk sta
smorgens en ik moet om 8 uur
beslist in mijn wijk zijn.
Maar ik wilde u vragen het
gaat hier over den Sjaak v d Horst
nu Mijnheer ik begrijp niet hoe
v d Horst het in zijn hoofd durft
te halen dat hij geld van mij
krijgt terwijl alle gekochte
goederen à contant bij hem van
zijn stand gaan hij kan morgen
wel weer bij u komen en zeggen
ik krijg 100 gulden van die of die.
Als men bij v d Horst koopt en men
betaalt niet dan had hij
notebloccen met dubbelen kwitanties
dien de kooper moet onderteekenen
als waarborg. Maar mijnheer In deze brief reageert H. Veldhuis op een beschuldiging of vordering van een zekere Sjaak van der Horst. Veldhuis voert twee belangrijke verweren aan:
1. Praktische verhindering: Hij kan niet persoonlijk verschijnen voor een verhoor of gesprek in de ochtend, omdat hij voor zijn werk om 8:00 uur in zijn "wijk" moet zijn. Dit suggereert dat de schrijver een beroep heeft als postbode, melkboer of een andere wijkgebonden dienstverlener.
2. Inhoudelijk verweer: Hij ontkent stellig dat hij geld schuldig is. Hij stelt dat hij al zijn aankopen bij de kraam ("stand") van Van der Horst altijd contant heeft afgerekend. Veldhuis wijst op de gebruikelijke handelwijze van de verkoper: als iemand op afbetaling kocht, moest er een dubbele kwitantie getekend worden als bewijs. Aangezien zo'n getekend document ontbreekt, bestempelt hij de claim als ongegrond. Het document dateert van augustus 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa. De administratieve stempels en het formele taalgebruik ("Mijnheer") wijzen erop dat dit een officieel processtuk is, waarschijnlijk gericht aan een inspecteur van politie of een kantonrechter. Het geeft een inkijkje in de dagelijkse rechtspraktijk van kleine handel en schuldvragen in het vooroorlogse Nederland, waarbij de bewijslast en de 'notebloc' (notitieblok) een centrale rol speelden bij transacties op straat of de markt. H. Veldhuis H. v. d. Horst Politie
Samenvatting
In deze brief reageert H. Veldhuis op een beschuldiging of vordering van een zekere Sjaak van der Horst. Veldhuis voert twee belangrijke verweren aan:
1. Praktische verhindering: Hij kan niet persoonlijk verschijnen voor een verhoor of gesprek in de ochtend, omdat hij voor zijn werk om 8:00 uur in zijn "wijk" moet zijn. Dit suggereert dat de schrijver een beroep heeft als postbode, melkboer of een andere wijkgebonden dienstverlener.
2. Inhoudelijk verweer: Hij ontkent stellig dat hij geld schuldig is. Hij stelt dat hij al zijn aankopen bij de kraam ("stand") van Van der Horst altijd contant heeft afgerekend. Veldhuis wijst op de gebruikelijke handelwijze van de verkoper: als iemand op afbetaling kocht, moest er een dubbele kwitantie getekend worden als bewijs. Aangezien zo'n getekend document ontbreekt, bestempelt hij de claim als ongegrond.
Historische Context
Het document dateert van augustus 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa. De administratieve stempels en het formele taalgebruik ("Mijnheer") wijzen erop dat dit een officieel processtuk is, waarschijnlijk gericht aan een inspecteur van politie of een kantonrechter. Het geeft een inkijkje in de dagelijkse rechtspraktijk van kleine handel en schuldvragen in het vooroorlogse Nederland, waarbij de bewijslast en de 'notebloc' (notitieblok) een centrale rol speelden bij transacties op straat of de markt.