Getypte ambtelijke brief.
Origineel
Getypte ambtelijke brief. 13 december 1939. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt). [Rechtsboven, handgeschreven:]
M. Rüffler
[Linksboven:]
HG.
37/224/4 M.
n 2
[Rechts:]
13 December 1939.
[Adres:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
Alhier.
[Inhoud:]
In bijlage dezes heb ik de eer U een contract in duplo te doen geworden ten name van den R.K. Dioc. Land- en Tuinbouwbond, de Ver. Amsterdamsche Markttuinders en den Christelijken Boeren- en Tuindersbond betreffende huur van kantoor no. M 91 in de hal op de Centrale Markt.
Ik moge U beleefd verzoeken de onderteekening van dit contract door den heer Burgemeester te willen bevorderen en mij het daarna te doen retourneeren; dezerzijds kan dan voor registratie worden zorggedragen.
De Directeur, De brief betreft een formele afhandeling van een huurcontract voor kantoorruimte op het terrein van de Centrale Markt in Amsterdam. Het gaat om kantoor nummer M 91. Opmerkelijk is dat het contract op naam staat van drie verschillende belangenverenigingen tegelijk:
1. De Rooms-Katholieke Diocesane Land- en Tuinbouwbond.
2. De Vereniging Amsterdamsche Markttuinders.
3. De Christelijke Boeren- en Tuindersbond.
De directeur van de betreffende dienst verzoekt de wethouder om de handtekening van de burgemeester te bemiddelen, wat wijst op de officiële aard van dergelijke huurovereenkomsten waarbij de gemeente als verhuurder optreedt. Na ondertekening moet het document terug naar de directeur voor de administratieve registratie. Het document dateert van december 1939, een periode van verhoogde spanning in Nederland tijdens de mobilisatie, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voor Nederland. De Centrale Markt in Amsterdam (geopend in 1934 aan de Jan van Galenstraat) was cruciaal voor de voedselvoorziening van de stad.
De vermelding van drie verschillende bonden (Katholiek, Christelijk/Protestant en een lokale Amsterdamse vereniging) illustreert de toenmalige 'verzuiling' in de Nederlandse samenleving, waarbij verschillende levensbeschouwelijke groepen hun eigen organisaties hadden, maar hier blijkbaar gezamenlijk een kantoorruimte betrokken om hun belangen op de Centrale Markt te behartigen. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze periode een vitale functie met het oog op de dreigende schaarste en distributie. R.K. Dioc