Archiefdocument
Origineel
[Handgeschreven rechtsboven:] M. Müller
VP/HG.
53/62/2 M.
18 Augustus 1939.
Restitutie entréegeld
Centrale Markt aan H.v.Rijn.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat H. van Rijn, 2e Oosterparkstraat 131, wien als kooper voor het kalenderjaar 1939 toegang tot de Centrale Markt is verleend, sedert 8 Augustus jl. de bedoelde markt niet meer bezoekt, omdat hij heeft opgehouden als kleinhandelaar werkzaam te zijn. Van Rijn heeft het verschuldigde entréegeld ten bedrage van ƒ 10,- betaald, terwijl hij thans verzoekt, om hem een gedeelte van dit bedrag terug te geven. Indien hij het entréegeld volgens het tarief per kalendermaand en per kalenderweek had voldaan, zou hij tot 8 Augustus jl. een bedrag van ƒ 7,50 zijn schuldig geweest. Het lijkt mij daarom billijk hem ƒ 2,50 te restitueeren.
Ik moge U beleefd verzoeken wel te willen bevorderen, dat daartoe door Burgemeester en Wethouders, op grond van artikel 36 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, wordt besloten.
De Directeur,
b.a. De Secretaris, Deze ambtelijke correspondentie betreft een verzoek tot gedeeltelijke terugbetaling (restitutie) van marktgelden. De kernpunten zijn:
- De betrokkene: De heer H. van Rijn, wonende aan de 2e Oosterparkstraat 131 in Amsterdam. Hij was werkzaam als kleinhandelaar.
- De aanleiding: Van Rijn heeft zijn werkzaamheden als kleinhandelaar gestaakt en bezoekt de Centrale Markt daarom sinds 8 augustus 1939 niet meer.
- De financiële afwikkeling: Hij had voor het hele jaar 1939 reeds 10 gulden aan entréegeld betaald. De directeur berekent dat hij op basis van het maand/weektarief tot aan zijn stopzetting slechts 7,50 gulden verschuldigd zou zijn geweest.
- Het voorstel: Er wordt voorgesteld om 2,50 gulden aan hem terug te betalen.
- Juridische grondslag: Het verzoek wordt gebaseerd op artikel 36 van de "Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden". Het uiteindelijke besluit hiertoe moet door het College van Burgemeester en Wethouders worden genomen. Dit document biedt een inkijkje in de Amsterdamse marktadministratie aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De Centrale Markt in Amsterdam (geopend in 1934 aan de Jan van Galenstraat) was de spil in de voedselvoorziening van de stad.
Het document illustreert de nauwgezetheid van de gemeentelijke bureaucratie in die tijd: zelfs voor een relatief klein bedrag van 2,50 gulden (omgerekend naar koopkracht nu ongeveer 25 tot 30 euro) was een formele voordracht aan de wethouder en een besluit van B&W nodig. De functietitel "Wethouder voor de Levensmiddelen" onderstreept het belang van de voedseldistributie en de gemeentelijke regie daarop in een periode van economische en politieke spanningen. H. van Rijn