Handgeschreven rapportage of aantekening op een steunkaart/dossierkaart.
Origineel
Handgeschreven rapportage of aantekening op een steunkaart/dossierkaart. Circa november 1927 – februari 1928. Hoofdtekst:
Het gezin bestaat uit man (38 j.)
vrouw en 3 kinderen van 16, 13 en
2 jaar en wordt krachtens de
Armenwet gesteund met f 15.20 p.w
en den brandstoffen toeslag. De
woninghuur bedraagt f 5.60 p. week.
De man handelaar in ongeregelde
goederen; op het oogenblik is er niets
voor hem te verdienen. In het voorjaar
wil hij het echter gaarne weer probeeren
De 16 jarige dochter, die thans f 2.25
verdient, verwacht loonsverhooging
Betrokkene hoopt er dan voldoende
bij te kunnen verdienen om zijn gezin
buiten den steun te kunnen houden
Marginale aantekeningen (verticaal links):
voorgesteld 7-11-'27 ll is. 12/2 28
15-12-'27 ll is.
plaats aangeboden; in voorjaar
weer op de markt * Sociaal-economische status: Het gezin leeft in armoede en is afhankelijk van de 'steun' (sociale bijstand avant la lettre). De vader is een "handelaar in ongeregelde goederen", wat duidt op een onzeker bestaan als opkoper of marktkoopman.
* Financiën: De totale steun bedraagt ƒ 15,20 per week, plus een toeslag voor brandstof (waarschijnlijk voor de wintermaanden). Gegeven dat de huur ƒ 5,60 bedraagt, blijft er minder dan 10 gulden over voor voedsel en kleding voor vijf personen.
* Kinderarbeid/inkomen: De 16-jarige dochter werkt al en draagt ƒ 2,25 bij aan het gezinsinkomen. Dit was in die tijd gebruikelijk voor kinderen uit arbeidersgezinnen zodra zij de leerplichtige leeftijd gepasseerd waren.
* Seizoensinvloeden: De tekst benadrukt dat er "op het oogenblik" (winter) niets te verdienen valt, maar dat de man in het voorjaar weer "op de markt" hoopt te staan. Dit typeert de precaire, seizoensgebonden aard van kleine zelfstandige beroepen in die periode. Dit document stamt uit het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen. De Armenwet van 1912 bepaalde destijds hoe gemeenten en kerkelijke instellingen hulp moesten bieden aan behoeftigen. De toon van de rapportage is zakelijk maar relatief empathisch; er wordt gekeken naar de potentie van het gezin om weer zelfvoorzienend te worden ("buiten den steun te kunnen houden"). Dergelijke dossiers zijn cruciaal voor historisch onderzoek naar de levensstandaard en de werking van de sociale zorg in Nederland vóór de invoering van de moderne verzorgingsstaat.
Samenvatting
- Sociaal-economische status: Het gezin leeft in armoede en is afhankelijk van de 'steun' (sociale bijstand avant la lettre). De vader is een "handelaar in ongeregelde goederen", wat duidt op een onzeker bestaan als opkoper of marktkoopman.
- Financiën: De totale steun bedraagt ƒ 15,20 per week, plus een toeslag voor brandstof (waarschijnlijk voor de wintermaanden). Gegeven dat de huur ƒ 5,60 bedraagt, blijft er minder dan 10 gulden over voor voedsel en kleding voor vijf personen.
- Kinderarbeid/inkomen: De 16-jarige dochter werkt al en draagt ƒ 2,25 bij aan het gezinsinkomen. Dit was in die tijd gebruikelijk voor kinderen uit arbeidersgezinnen zodra zij de leerplichtige leeftijd gepasseerd waren.
- Seizoensinvloeden: De tekst benadrukt dat er "op het oogenblik" (winter) niets te verdienen valt, maar dat de man in het voorjaar weer "op de markt" hoopt te staan. Dit typeert de precaire, seizoensgebonden aard van kleine zelfstandige beroepen in die periode.
Historische Context
Dit document stamt uit het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen. De Armenwet van 1912 bepaalde destijds hoe gemeenten en kerkelijke instellingen hulp moesten bieden aan behoeftigen. De toon van de rapportage is zakelijk maar relatief empathisch; er wordt gekeken naar de potentie van het gezin om weer zelfvoorzienend te worden ("buiten den steun te kunnen houden"). Dergelijke dossiers zijn cruciaal voor historisch onderzoek naar de levensstandaard en de werking van de sociale zorg in Nederland vóór de invoering van de moderne verzorgingsstaat.