Afschrift van een verzoekschrift.
Origineel
Afschrift van een verzoekschrift. 12 december 1938. Philip Locher, wonende aan de Albert Cuypstraat 103 I, Amsterdam. No.18/15/1 M.1939 27/3.
No.62/473 L.M.1938. AFSCHRIFT.-
Amsterdam, 12 December 1938.
Aan het College van
BURGEMEESTER en WETHOUDERS
ALHIER.
Weledelachtbare Heeren,
Ondergeteekende Philip Locher, Albert Cuypstraat 103 I
geboren 10 Januari 1904, te Amsterdam, verzoekt Uw geacht College
hem een ventvergunning te willen verstrekken voor het venten met
visch.
Ondergeteekende doet Uw College opmerken, dat hy reeds
circa 20 jaar in den vischhandel zyn brood verdient, door middel
van het helpen van zyn vader op de Albert Cuypmarkt,
Waar ook daar de toestand in den vischhandel slecht is
en voor twee gezinnen deze plaats geen bestaan oplevert, verzoekt
ondergeteekende Uw geacht college beleefd doch dringend hem deze ge-
vraagde ventvergunning te willen toestaan.
Uw geacht College by voorbaat dankend,
Inmiddels
Hoogachtend,
w.g. Ph.Locher
Albert Cuypstraat 103 I
ALHIER. De brief is een formeel verzoek van Philip Locher aan het stadsbestuur van Amsterdam. De kernpunten zijn:
* Persoonlijke gegevens: Locher is op het moment van schrijven 34 jaar oud en woont in de bekende Albert Cuypbuurt.
* Arbeidsverleden: Hij werkt al sinds zijn 14e of 15e (circa 20 jaar) in de vissector, specifiek als hulp van zijn vader op de Albert Cuypmarkt.
* Motivatie: De economische noodzaak staat centraal. Locher geeft aan dat de marktplaats van zijn vader niet genoeg opbrengt om twee gezinnen (dat van zijn vader en dat van hemzelf) te onderhouden. De "toestand in den vischhandel" wordt als slecht omschreven.
* Stijl: Het taalgebruik is uiterst onderdanig en formeel, passend bij de tijd en de hiërarchische verhouding tussen burger en overheid ("Weledelachtbare Heeren", "Uw geacht college beleefd doch dringend"). Dit document dateert uit december 1938, een periode waarin de nasleep van de Grote Depressie nog voelbaar was en de economische druk op arbeidersgezinnen in Amsterdam groot was. De Albert Cuypmarkt was toen al een centraal punt voor de handel, maar de concurrentie was moordend en de regels voor vergunningen waren streng om het aantal straathandelaars te beperken.
Voor veel Joodse Amsterdammers — een gemeenschap waartoe de naam Locher in deze buurt vaak behoorde — was de straathandel een van de weinige toegankelijke manieren om een inkomen te genereren. Dit verzoek om een eigen 'ventvergunning' (het recht om langs de deuren of op straat te verkopen buiten de vaste marktplaats) was een poging tot economische zelfstandigheid in een tijd van toenemende onzekerheid, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het document vormt daarmee een getuigenis van de dagelijkse overlevingsstrijd van de Amsterdamse kleine ondernemer in de late jaren '30.