Ambtelijk schrijven / Rapportage.
Origineel
Ambtelijk schrijven / Rapportage. 2 februari 1940. J. Verhoeckx (?), Chef-marktopzichter te Amsterdam. De Inspecteur van het Marktwezen, Amsterdam. Den Weledelgestreng Heer Inspecteur
v/h Marktwezen
Alhier.
Gegevens betreffende plaatsbezetting zijn genomen uit presentielijst Albert Cuypmarkt gedurende de periode 5 Juni ’39 t/m 2 Sept. ’39 (13 kalenderweken).
Als minimum aantal weken, waarop van de plaats gebruik is gemaakt, zooals is aangegeven in bijgaande statistische gegevens, is aangenomen acht.
Als artikel is vermeld, hetgeen in hoofdzaak gedurende bovengenoemde periode door betrokkene is verkocht.
In totaal zijn nagegaan de gegevens van 279 vaste plaatshouders, waaronder twaalf permanente steuntrekkers, zoodat uiteindelijk 267 vaste plaatshouders als plaatsbezetters zijn beschouwd.
De rubrieken 1° tevens winkelier, 2° maakt gebruik van ventvergunning, 3° bezet tevens standplaats buiten de markten, 4° bezoekt buitenmarkten, 5° bezoekt andere Amsterdamsche markten (als losse plaatshouder) en 6° Opmerkingen zijn ingevuld met gegevens, die verkregen zijn uit: 1° constateeringen en 2° mededeelingen van belanghebbenden en derden.
Uit den aard der zaak is zulks dus niet geheel volledig, doch is getracht de werkelijkheid zoo veel mogelijk te benaderen.
Amsterdam, 2 Febr. ’40
(w.g.) J. Verhoeckx (?)
Chef-marktopzichter Dit document is een ambtelijk rapport waarin de methodologie wordt verantwoord voor een statistisch onderzoek naar de bezettingsgraad en nevenactiviteiten van kooplieden op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam.
De belangrijkste punten uit de rapportage zijn:
1. Selectie: Er is gekeken naar een periode van 13 weken in de zomer van 1939. Men hanteert een criterium van minimaal 8 weken aanwezigheid om als 'vaste' bezetter te worden geteld.
2. Uitsluiting: Van de 279 vaste vergunninghouders zijn er 12 uitgesloten omdat zij "permanente steuntrekkers" waren (mensen die een werkloosheidsuitkering ontvingen), wat suggereert dat men een beeld wilde krijgen van de economisch zelfstandige beroepsgroep.
3. Controle op neveninkomsten: De marktmeester heeft specifiek gekeken of kooplieden ook een winkel hadden, een ventvergunning bezaten of op andere markten stonden.
4. Bronvermelding: De gegevens zijn deels gebaseerd op observatie door markttoezichthouders ("constateeringen") en deels op verklaringen van de kooplieden zelf of informanten ("derden"). De datum van dit document, 2 februari 1940, is historisch saillant. Het is geschreven slechts drie maanden voor de Duitse inval in Nederland.
Hoewel het document op het eerste gezicht een routineuze administratieve handeling lijkt (het in kaart brengen van de economische activiteit op de Amsterdamse markten), krijgt dit soort gedetailleerde registratie in de jaren die volgden een sinistere bijsmaak. De Albert Cuypmarkt had vanouds een zeer groot aandeel Joodse kooplieden.
De minutieuze wijze waarop de Nederlandse overheid en de gemeente Amsterdam bevolkingsgroepen en economische activiteiten registreerden, werd na de inval in mei 1940 door de bezetter aangewend om de Joodse bevolking stelselmatig uit het economische leven te weren en uiteindelijk te deporteren. Hoewel dit rapport is opgesteld vóór de bezetting en gericht lijkt op regulier marktbeheer en controle op steunfraude of vergunningsvoorwaarden, illustreert het de hoge graad van administratieve nauwkeurigheid die de daaropvolgende vervolging in Nederland bureaucratisch faciliteerde.