Archief 745
Inventaris 745-323
Pagina 19
Dossier 82
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypt afschrift van een officiële brief/advies.

15 oktober 1940. Van: De Wethouder voor de Financiën (w.g. Rustige).

Origineel

Getypt afschrift van een officiële brief/advies. 15 oktober 1940. De Wethouder voor de Financiën (w.g. Rustige). No.653 P.W.1940.Afschrift.
Afd.Fin1940.
No.1275/619

Amsterdam, 15 October 1940.

Naar aanleiding van de bij Uw schrijven d.d. 1 dezer No.653 P.W.1940 om advies ontvangen stukken inzake het voltooien van den binnenring heb ik de eer onder Uw aandacht te brengen, dat de financieele toestand van Amsterdam meer dan ooit tot zuinigheid noopt. Waar bovendien te betwijfelen valt of de benoodigde materialen verkregen zullen worden en de werken geenszins arbeidsintensief zijn ben ik van meening, dat alleen voor de meest urgente werken, nl. opruiming zuigelingen-polikliniek, verplaatsen speeltuin en bestraten en het bouwen van een brug over de Rapenburgergracht een krediet moet worden gevraagd.

Tegen het doorzetten van de onteigening van de benoodigde perceelen aan de Lazarussteeg, de Marktensteeg en de Foeliestraat bestaat evenmin als tegen het aanhangig maken van de onteigening van de perceelen Joden Houttuinen 63-67-69-71 bij mij bezwaar.

De Wethouder voor de Financiën,

w.g.Rustige.

Aan den Heer Wethouder
voor de Publieke Werken.

--- In dit document adviseert de Amsterdamse wethouder van Financiën, F.M. Rustige, zijn collega van Publieke Werken over geplande stadsuitbreiding en infrastructuur (de 'binnenring'). De toon is zeer behoudend en wijst op een noodzaak tot drastische bezuinigingen.

De belangrijkste argumenten voor het beperken van de werkzaamheden zijn:
1. De slechte financiële toestand van de stad Amsterdam.
2. De onzekerheid over de levering van bouwmaterialen.
3. Het feit dat de voorgestelde werken niet 'arbeidsintensief' genoeg zijn (wat in tijden van werkloosheid vaak een criterium was om overheidssteun te rechtvaardigen).

Slechts een drietal 'urgente' zaken krijgen groen licht voor een krediet: de opruiming van een zuigelingenpolikliniek, de verplaatsing van een speeltuin en de bouw van een brug over de Rapenburgergracht. Opvallend is dat de wethouder wel akkoord gaat met het voortzetten van onteigeningsprocedures in de Joodse buurt (Joden Houttuinen, Foeliestraat).

--- De datum van de brief, 15 oktober 1940, is cruciaal. Nederland bevindt zich dan in de eerste maanden van de Duitse bezetting. De financiële krapte en de schaarste aan bouwmaterialen waarover de wethouder spreekt, zijn directe gevolgen van de oorlogssituatie en de economische gelijkschakeling door de bezetter.

De genoemde locaties (Lazarussteeg, Markensteeg — in de brief gespeld als Marktensteeg —, Foeliestraat en Joden Houttuinen) bevonden zich in de toenmalige Amsterdamse Jodenbuurt. De stad was destijds bezig met grootschalige 'saneringsplannen' om verkrotte delen van de binnenstad te slopen voor de aanleg van bredere wegen (de binnenring). Hoewel de onteigening in dit document wordt gepresenteerd als een puur administratieve en stedenbouwkundige handeling, vond deze plaats in een periode waarin de druk op de Joodse bevolking door de bezetter snel toenam. De genoemde Joden Houttuinen werd later in de oorlog vrijwel geheel gesloopt.

Samenvatting

In dit document adviseert de Amsterdamse wethouder van Financiën, F.M. Rustige, zijn collega van Publieke Werken over geplande stadsuitbreiding en infrastructuur (de 'binnenring'). De toon is zeer behoudend en wijst op een noodzaak tot drastische bezuinigingen.

De belangrijkste argumenten voor het beperken van de werkzaamheden zijn:
1. De slechte financiële toestand van de stad Amsterdam.
2. De onzekerheid over de levering van bouwmaterialen.
3. Het feit dat de voorgestelde werken niet 'arbeidsintensief' genoeg zijn (wat in tijden van werkloosheid vaak een criterium was om overheidssteun te rechtvaardigen).

Slechts een drietal 'urgente' zaken krijgen groen licht voor een krediet: de opruiming van een zuigelingenpolikliniek, de verplaatsing van een speeltuin en de bouw van een brug over de Rapenburgergracht. Opvallend is dat de wethouder wel akkoord gaat met het voortzetten van onteigeningsprocedures in de Joodse buurt (Joden Houttuinen, Foeliestraat).


Historische Context

De datum van de brief, 15 oktober 1940, is cruciaal. Nederland bevindt zich dan in de eerste maanden van de Duitse bezetting. De financiële krapte en de schaarste aan bouwmaterialen waarover de wethouder spreekt, zijn directe gevolgen van de oorlogssituatie en de economische gelijkschakeling door de bezetter.

De genoemde locaties (Lazarussteeg, Markensteeg — in de brief gespeld als Marktensteeg —, Foeliestraat en Joden Houttuinen) bevonden zich in de toenmalige Amsterdamse Jodenbuurt. De stad was destijds bezig met grootschalige 'saneringsplannen' om verkrotte delen van de binnenstad te slopen voor de aanleg van bredere wegen (de binnenring). Hoewel de onteigening in dit document wordt gepresenteerd als een puur administratieve en stedenbouwkundige handeling, vond deze plaats in een periode waarin de druk op de Joodse bevolking door de bezetter snel toenam. De genoemde Joden Houttuinen werd later in de oorlog vrijwel geheel gesloopt.

Kooplieden in dit dossier 35

A. Klein Uilenburg
A. Koper Uilenburg
A. Lister Uilenburg (34)
A. Lopes Dias Uilenburg (35)
V. Kolm Uilenburg
B. Kloots Uilenburg
B.L. de Leeuw Uilenburg
C. de Leeuw Uilenburg
E. de Leeuw Uilenburg
F. Kramer Uilenburg
V. Leeuwen Uilenburg
G. Krijt Uilenburg
H. Kloot Uilenburg
H. Knoop Uilenburg
H. Last Uilenburg
H. Lerner Uilenburg
H. Letgever Uilenburg (1)
J. de Leeuw Uilenburg
G. Kolm Uilenburg
J. de Leeuwe Uilenburg
J. Krak Uilenburg
J. Lam Uilenburg
J. Leutken Uilenburg (32)
C. van Kleef Uilenburg 8
L. Knoop Uilenburg
B. Schuffeleers. Uilenburg (32)
M. Koster Uilenburg
G. de Klijn Uilenburg
O. Lang Uilenburg
Alle 35 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 3